Bestuursrecht overig

Bij besluit van 30 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing…

Zaakgegevens

Op 21 september 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 september 2022
Datum publicatie
21 september 2022
Zaaknummer
202202938/1/R4
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:2727
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 30 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 19 januari 2022 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 19 januari 2022 is aangetroffen naast een aangewezen inzamelvoorziening op de Gerard Doustraat in Den Haag ter hoogte van huisnummer 150. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos zijn aangetroffen.[appellant] betoogt dat hij de doos niet naast de container heeft geplaatst.

Uitspraak

202202938/1/R4.

Datum uitspraak: 21 september 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2022 heeft het college zijn beslissing om op 19 januari 2022 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 200,00, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 6 april 2022 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2022, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door

D. Khougiani, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 19 januari 2022 is aangetroffen naast een aangewezen inzamelvoorziening op de Gerard Doustraat in Den Haag ter hoogte van huisnummer 150. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos zijn aangetroffen.

2.       [appellant] betoogt dat hij de doos niet naast de container heeft geplaatst. Hij stelt dat hij de doos in zijn kantoor heeft uitgepakt en naast de deur in de algemene ruimte van het kantoor heeft neergezet met de bedoeling de doos op een later moment naar de container te brengen. [appellant] vermoedt dat de beheerder of iemand anders de doos naast de container heeft geplaatst.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden.

Aangezien [appellant] zijn vermoeden dat iemand anders de doos verkeerd heeft aangeboden niet met bewijsstukken heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt, heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden.

Het betoog faalt.

3.       Het beroep is ongegrond.

4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Melenhorst

griffier