Bestuursrecht overig
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft de minister voor Rechtsbescherming een aanvraag van [appellante] om haar…
Raad van State, 7 juni 2023
ECLI:NL:RVS:2023:2212 · Raad van State · 7 juni 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2023-2212
Zaakgegevens
Op 7 juni 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juni 2023
- Datum publicatie
- 7 juni 2023
- Zaaknummer
- 202202060/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2023:2212
Samenvatting
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft de minister voor Rechtsbescherming een aanvraag van [appellante] om haar geslachtsnaam te wijzigen, niet in behandeling genomen. [appellante] heeft op 26 januari 2021 een aanvraag ingediend om wijziging van onder meer haar achternaam, omdat zij psychische hinder ondervindt als gevolg van het dragen van haar geslachtsnaam. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat [appellante] de ‘Bijsluiter psychische hinder’ niet heeft meegezonden en de kosten voor de aanvraag niet heeft voldaan. Het bezwaar tegen dit besluit heeft de minister ongegrond verklaard en de rechtbank is de minister hierin gevolgd.
Uitspraak
202202060/1/A3.
Datum uitspraak: 7 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 17 februari 2022 in zaak nr. 21/1797 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister voor Rechtsbescherming.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om haar geslachtsnaam te wijzigen, niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 14 juli 2021 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 17 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2023, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft op 26 januari 2021 een aanvraag ingediend om wijziging van onder meer haar achternaam, omdat zij psychische hinder ondervindt als gevolg van het dragen van haar geslachtsnaam. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat [appellante] de ‘Bijsluiter psychische hinder’ niet heeft meegezonden en de kosten voor de aanvraag niet heeft voldaan. Het bezwaar tegen dit besluit heeft de minister ongegrond verklaard en de rechtbank is de minister hierin gevolgd.
Procesbelang
2. Na het besluit op bezwaar heeft [appellante] een nieuwe aanvraag om naamswijziging ingediend. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 15 november 2021 ingewilligd. Dit besluit staat inmiddels in rechte vast en na de rechtbankuitspraak heeft [appellante] deze naam officieel bij Koninklijk Besluit gekregen. [appellante] heeft inmiddels dan ook bereikt wat zij met haar aanvraag van 26 januari 2021 wilde bereiken. Ook als de Afdeling in hoger beroep oordeelt dat de minister opnieuw moet beslissen op het bezwaar, zal dat [appellante] niets meer kunnen opleveren. Dat de procedure bij naamswijzigingen volgens [appellante] in het algemeen onzorgvuldig is, omdat het ministerie vraagt de kosten voor de aanvraag te betalen terwijl voorzienbaar is dat die aanvraag onvolledig is, behoeft geen bespreking. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, heeft het ministerie [appellante] in dit geval immers geïnformeerd dat zij de kosten alleen moet betalen als zij in staat is om de aanvraag aan te vullen en [appellante] heeft uiteindelijk ook niets betaald voor deze aanvraag. Ter zitting heeft [appellante] niet verder toegelicht waarom zij in haar individuele geval toch gebaat is bij een uitspraak op het hoger beroep. Zij heeft daarom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Conclusie
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023
802