Bestuursrecht overig
Bij besluit van 14 december 2021 heeft de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het…
ECLI:NL:RVS:2023:271 · Raad van State · 25 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2023-271
Zaakgegevens
Op 25 januari 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 januari 2023
- Datum publicatie
- 25 januari 2023
- Zaaknummer
- 202205067/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2023:271
Samenvatting
Bij besluit van 14 december 2021 heeft de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] de tweede factuur die betrekking heeft op de uitvoeringskosten van een opgelegd onderzoek naar drugsgebruik niet heeft betaald. De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen was volgens de geldende regelgeving verplicht het rijbewijs daarom ongeldig te verklaren, aldus de rechtbank.
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 2 augustus 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:3218Raad van State · 25 januari 2023deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2023:271
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
202205067/1/A2.
Datum uitspraak: 25 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 augustus 2022 in zaak nr. 22/1421 in het geding tussen:
[appellant]
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR)
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2021 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.
Bij besluit van 7 februari 2022 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] de tweede factuur die betrekking heeft op de uitvoeringskosten van een opgelegd onderzoek naar drugsgebruik niet heeft betaald. Het CBR was volgens de geldende regelgeving verplicht het rijbewijs daarom ongeldig te verklaren, aldus de rechtbank. Van bijzondere omstandigheden die zouden meebrengen dat de regeling buiten toepassing moet worden gelaten, is volgens de rechtbank niet gebleken. De rechtbank vindt dat niet duidelijk is waarom [appellant] de tweede factuur niet zou hebben ontvangen en niet heeft kunnen betalen.
2. In hoger beroep stelt [appellant] dat er wél bijzondere omstandigheden zijn en dat hij dit in bezwaar en beroep genoegzaam heeft aangetoond. Met deze stelling gaat [appellant] niet in op de door de rechtbank aan haar uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen waarin de rechtbank de in beroep aangedragen gronden heeft besproken.
3. [appellant] kondigt in hoger beroep aan dat de overige grieven tegen de aangevallen uitspraak bij aanvullend hoger beroepschrift zullen worden ingediend. De Afdeling heeft een dergelijk aanvullend hoger beroepschrift evenwel niet ontvangen.
4. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Soest-Ahlers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2023
343-1014