Bestuursrecht overig

[appellant] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Den Haag. Op 2 december 2021 heeft het college van…

Zaakgegevens

Op 21 november 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 november 2024
Datum publicatie
4 december 2024
Zaaknummer
202306034/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4970
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

[appellant] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Den Haag. Op 2 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag haar een last onder dwangsom opgelegd voor het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning en overbewoning van de woning. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 augustus 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:13445
  2. Raad van State · 21 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:4970

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202306034/1/A2.

Datum uitspraak: 21 november 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 augustus 2023 in zaak nr. 22/7747 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Openbare zitting gehouden op 21 november 2024 om 10:45 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad: mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: mr. O. van Loon

Jurist: mr. A. Wolda

Verschenen:

[appellant], bijgestaan door mr. S. van der Eijk;

het college, vertegenwoordigd door mr. T.M.T. Konings en mr. R.D. Fehrmann.

====================================

[appellant] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Den Haag. Op 2 december 2021 heeft het college haar een last onder dwangsom opgelegd voor het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning en overbewoning van de woning. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt.

Op 20 april 2022 heeft het college de dwangsom van € 7.000,00 ingevorderd, omdat na hercontrole op 24 maart 2022 bleek dat de situatie niet opgelost was of opgelost was gehouden. Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het college heeft dit op 24 oktober 2022 ongegrond verklaard.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 augustus 2023, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 oktober 2022 ongegrond is verklaard.

Beslissing

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom die beoordeling onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de 4. tot en met 7. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat [appellant] niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd met het oog op het voorkomen van de overtreding. Gelet op de voorgeschiedenis had zij zich actief moeten inspannen om het aantal bewoners in de woning binnen het toegestane aantal te houden.

Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

284-1112