Bestuursrecht overig

Het CBR heeft op 14 maart 2024 [appellant] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd, omdat hij volgens…

Zaakgegevens

Op 10 april 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10 april 2025
Datum publicatie
17 april 2025
Zaaknummer
202405386/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1746
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het CBR heeft op 14 maart 2024 [appellant] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd, omdat hij volgens de politie onder invloed van drugs een auto heeft bestuurd. [appellant] betwist niet dat hij onder invloed was van drugs, wel dat hij de auto bestuurde op 12 februari 2023.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 6 juni 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:8541
  2. Raad van State · 10 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:1746

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202405386/1/A2.

Datum uitspraak: 10 april 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2024 in zaak nr. 23/6712 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Openbare zitting gehouden op 10 april 2025 om 16:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad: mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: mr. O. van Loon

Jurist: mr. A. Wolda

Verschenen:

mr. R.W. de Gruijl, advocaat in Rotterdam;

het CBR, vertegenwoordigd door mr. I.S.B. Metaal.

====================================

Het CBR heeft op 14 maart 2024 [appellant] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd, omdat hij volgens de politie onder invloed van drugs een auto heeft bestuurd. [appellant] betwist niet dat hij onder invloed was van drugs, wel dat hij de auto bestuurde op 12 februari 2023.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 6 juni 2024 waarin het beroep van [appellant] tegen de beslissing van het CBR van 6 juli 2023 ongegrond is verklaard.

Beslissing

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10 tot en met 12 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Ter zitting zijn verschillende vragen aan de orde gekomen over de WhatsApp-gesprekken, waar [appellant] zich op beroept, en de uitkomst van de strafrechtelijke procedure, die mede door de afwezigheid van [appellant] niet konden worden beantwoord. Onder deze omstandigheden gaat de Afdeling uit van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, waaruit blijkt dat [appellant] de bestuurder van zijn auto is geweest.

Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

284-1112