Bestuursrecht overig

Bij besluit van 23 september 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de Dienst Toeslagen) het verzoek…

Zaakgegevens

Op 7 mei 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 mei 2025
Datum publicatie
7 mei 2025
Zaaknummer
202403209/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2045
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 23 september 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de Dienst Toeslagen) het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 2 juli 2021 tot afwijzing van zijn aanvragen om kindgebonden budget voor de jaren 2019 en 2021, afgewezen. [appellant] en zijn ex-partner hebben co-ouderschap over hun twee kinderen. De kinderen blijven om de week bij [appellant]. [appellant] krijgt van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) de helft van de kinderbijslag uitbetaald via de lopende aanvraag van zijn ex-partner. Niet in geschil is dat de ex-partner de rechthebbende voor de kinderbijslag is en kindgebonden budget ontvangt.

Uitspraak

202403209/1/A2.

Datum uitspraak: 7 mei 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2024 in zaak nr. 22/2501 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu en hierna: de Dienst Toeslagen) het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 2 juli 2021 tot afwijzing van zijn aanvragen om kindgebonden budget voor de jaren 2019 en 2021, afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2025, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant] en zijn ex-partner hebben co-ouderschap over hun twee kinderen. De kinderen blijven om de week bij [appellant]. [appellant] krijgt van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) de helft van de kinderbijslag uitbetaald via de lopende aanvraag van zijn ex-partner. Niet in geschil is dat de ex-partner de rechthebbende voor de kinderbijslag is en kindgebonden budget ontvangt.

2.       De Dienst Toeslagen heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat [appellant] in 2021 weliswaar kinderbijslag heeft ontvangen, maar dat dit de uitbetaling van het recht van de ex-partner betrof. In het verweer in beroep heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat ingevolge artikel 2, tiende lid, van de Wet op het kindgebonden budget, ook als op basis van het recht op kinderbijslag van één van de ouders, aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald, alleen de ouder wiens recht wordt uitbetaald, aanspraak heeft op kindgebonden budget. De ouder wiens recht wordt uitbetaald is hier de ex-partner van [appellant].

3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.1 tot en met 5.5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

5.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Benek

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025

154-1043