Bestuursrecht overig

Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de Dienst Toeslagen) het verzoek van…

Zaakgegevens

Op 7 mei 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 mei 2025
Datum publicatie
7 mei 2025
Zaaknummer
202404275/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2047
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de Dienst Toeslagen) het verzoek van [appellant] om herziening van de (definitieve) berekening van de zorgtoeslag tussen 2016 en 2021 afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft in de besluiten uitgelegd dat bij de berekening van de zorgtoeslag moet worden betrokken dat [appellant], gelet op artikel 5a, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, een toeslagpartner heeft. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen erop gewezen dat het toeslagpartnerschap pas wordt beëindigd nadat [appellant] een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend bij de rechtbank.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 31 mei 2024

    ECLI:NL:RBNNE:2024:2187
  2. Raad van State · 7 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:2047

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202404275/1/A2.

Datum uitspraak: 7 mei 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 31 mei 2024 in zaak nr. 23/3469 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu en hierna: de Dienst Toeslagen) het verzoek van [appellant] om herziening van de (definitieve) berekening van de zorgtoeslag tussen 2016 en 2021 afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2025, waar [appellant] en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De Dienst Toeslagen heeft in de besluiten uitgelegd dat bij de berekening van de zorgtoeslag moet worden betrokken dat [appellant], gelet op artikel 5a, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, een toeslagpartner heeft. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen erop gewezen dat het toeslagpartnerschap pas wordt beëindigd nadat [appellant] een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend bij de rechtbank.

2.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.3 en 7.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. In reactie op de stelling van [appellant] in hoger beroep dat hij nooit zorgtoeslag heeft aangevraagd, voegt de Afdeling daaraan nog toe dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om zorgtoeslag in beroep heeft overgelegd. Ook heeft [appellant] op de zitting van de Afdeling niet betwist dat hij al die jaren de zorgtoeslag op zijn bankrekening gestort heeft gekregen.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

4.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Benek

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025

154-1043