Bestuursrecht overig

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het maken van bezwaar of…

Zaakgegevens

Op 3 oktober 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
3 oktober 2025
Datum publicatie
14 oktober 2025
Zaaknummer
202503025/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:4902
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep zes weken. Die termijn is eveneens van toepassing voor het instellen van hoger beroep, zo volgt uit artikel 6:24 van de Awb. De Afdeling heeft het hogerberoepschrift pas op 27 mei 2025 ontvangen en daarmee is het ruimschoots te laat ingediend. [appellant] heeft daarover verklaard dat de uitspraak van de rechtbank naar zijn voormalige adres was verzonden.

Uitspraak

202503025/1/A2.

Datum uitspraak: 3 oktober 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 december 2024 in zaak nr. 24/1974 in het geding tussen:

[appellant]

en

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2025 om 11:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer;

mr. C. Kouidar, griffier.

Verschenen:

[appellant], bijgestaan door [persoon], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp;

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 6 december 2024 van de rechtbank Overijssel.

De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Motivering:

1.       Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep zes weken. Die termijn is eveneens van toepassing voor het instellen van hoger beroep, zo volgt uit artikel 6:24 van de Awb. De Afdeling heeft het hogerberoepschrift pas op 27 mei 2025 ontvangen en daarmee is het ruimschoots te laat ingediend. [appellant] heeft daarover verklaard dat de uitspraak van de rechtbank naar zijn voormalige adres was verzonden. De Afdeling ziet daarin geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. [appellant] is zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van zijn adreswijziging aan de rechtbank, wanneer zijn adres gedurende de procedure wijzigt. [appellant] heeft niet met documenten onderbouwd dat hij zijn adreswijziging tijdig aan de rechtbank heeft doorgegeven.

2.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

1120