Bestuursrecht overig

[appellante] heeft subsidie voor praktijkleren ontvangen ten bedrage van € 3.679,08, voor de begeleiding van…

Zaakgegevens

Op 25 februari 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25 februari 2025
Datum publicatie
28 februari 2025
Zaaknummer
202401633/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:816
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

[appellante] heeft subsidie voor praktijkleren ontvangen ten bedrage van € 3.679,08, voor de begeleiding van een leerling van het MBO. Voor het verkrijgen van de subsidie moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Bij besluit van 19 april 2022 heeft de minister de subsidievaststelling van 16 december 2021 ingetrokken en het subsidiebedrag opnieuw vastgesteld op € 256,68, omdat niet werd voldaan aan de gestelde voorwaarden. Dit betekent dat [appellante] een terugbetalingsverplichting van € 3.422,40 heeft. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 21 december 2022 ongegrond verklaard.

Uitspraak

202401633/1/A2.

Datum uitspraak: 25 februari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2024 in zaak nr. 23/935 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Openbare zitting gehouden op 25 februari 2025 om 14:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad: mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: mr. O. van Loon

Jurist: mr. A. Wolda

Verschenen:

[appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde];

de minister, vertegenwoordigd door mr. C.F. Maas en mr. M.A. Kalpoe.

[appellante] heeft subsidie voor praktijkleren ontvangen ten bedrage van € 3.679,08, voor de begeleiding van een leerling van het MBO. Voor het verkrijgen van de subsidie moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Bij besluit van 19 april 2022 heeft de minister de subsidievaststelling van 16 december 2021 ingetrokken en het subsidiebedrag opnieuw vastgesteld op € 256,68, omdat niet werd voldaan aan de gestelde voorwaarden. Dit betekent dat [appellante] een terugbetalingsverplichting van € 3.422,40 heeft. De minister heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 21 december 2022 ongegrond verklaard.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2024, waarin het beroep van [appellante] tegen het besluit van 21 december 2022 ongegrond is verklaard.

Beslissing

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zouden zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 en 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

284-1112