Bestuursrecht overig
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 juli 2025 waarbij de rechtbank Rotterdam het verzoek van…
Raad van State, 2 juni 2026
ECLI:NL:RVS:2026:3270 · Raad van State · 2 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-3270
Zaakgegevens
Op 2 juni 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Zaaknummer
- 202504072/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3270
Samenvatting
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 juli 2025 waarbij de rechtbank Rotterdam het verzoek van [appellant] om vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen. [appellant] heeft een verzoek om vergoeding van schade ingediend, omdat het CBR op 1 augustus 2023 ten onrechte zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Nadat de rechtbank Rotterdam op 19 februari 2024 het tegen de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2023 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, heeft het CBR bij besluit van 26 februari 2024 met inachtneming van die uitspraak het bezwaar alsnog gegrond verklaard, en het besluit om het rijbewijs van [appellant] ongeldig te verklaren ingetrokken. Partijen zijn het daarom eens dat het besluit van 1 augustus 2023 onrechtmatig was. [appellant] heeft bij de rechtbank een verzoekschrift tot schadevergoeding ingediend. [appellant] wil een vergoeding van € 15,00 per dag voor de periode van 29 augustus 2023 tot en met 27 februari 2024. De rechtbank heeft dit verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 8 juli 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:8815Raad van State · 2 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:3270
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
202504072/1/A2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2025 in zaak nr. 24/9372 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. J.S. de Jong
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. G. Grijs, advocaat in Rotterdam;
Het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 juli 2025 waarbij de rechtbank Rotterdam het verzoek van [appellant] om vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. [appellant] heeft een verzoek om vergoeding van schade ingediend, omdat het CBR op 1 augustus 2023 ten onrechte zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Nadat de rechtbank Rotterdam op 19 februari 2024 het tegen de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2023 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, heeft het CBR bij besluit van 26 februari 2024 met inachtneming van die uitspraak het bezwaar alsnog gegrond verklaard, en het besluit om het rijbewijs van [appellant] ongeldig te verklaren ingetrokken. Partijen zijn het daarom eens dat het besluit van 1 augustus 2023 onrechtmatig was.
2. [appellant] heeft bij de rechtbank een verzoekschrift tot schadevergoeding ingediend. [appellant] wil een vergoeding van € 15,00 per dag voor de periode van 29 augustus 2023 tot en met 27 februari 2024. De rechtbank heeft dit verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
3. In wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat [appellant] als gevolg van het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van het onrechtmatige besluit van het CBR zodanig heeft geleden dat hij in zijn eer of goede naam dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [appellant] heeft zijn psychische gesteldheid in het geheel niet onderbouwd met objectieve medische stukken. Verder is het niet aan het CBR te wijten dat er nieuws over de aanhouding van [appellant] in zijn woonplaats bekend zou zijn geworden.
Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
1014