Bestuursrecht overig

Bij besluit van 12 juli 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] een…

Raad van State, 13 juli 2026

Zaakgegevens

Op 13 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
202503459/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4070
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 12 juli 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] een tegemoetkoming van € 5.000 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekend. Bij besluit van 4 november 2023 (lees: 2024) heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak

202503459/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2025 in zaak nr. 24/9178 in het geding tussen:

[appellante]

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).

Openbare zitting gehouden op 13 juli 2026 om 10:45 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer

griffier: mr. C. Kouidar

Verschenen:

CSG, vertegenwoordigd door mr. D. den Besten.

Bij besluit van 12 juli 2024 heeft de CSG aan [appellante] een tegemoetkoming van € 5.000 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekend.

Bij besluit van 4 november 2023 (lees: 2024) heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 27 mei 2025 van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van [appellante] tegen het besluit van 4 november 2024 ongegrond is verklaard.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden:

Uit wat [appellante] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat bij [appellante] een diagnose voor psychisch letsel door een bevoegd en bekwaam hulpverlener is gesteld, zoals vereist volgens de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst. Uit de stukken blijkt dat [appellante] in de periode 2016 tot en met 2020 eens per twee weken door een maatschappelijk werker van het Expertisecentrum Seksualiteit Sekswerk & Mensenhandel werd begeleid. Die begeleiding bestond uit structurele gesprekken, gericht op het bieden van psychosociale ondersteuning en praktische begeleiding. De stukken zijn niet aan te merken als de vereiste diagnosestelling.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

1120