Bestuursrecht overig

Bij besluit van 18 december 2024 heeft Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellant] om…

Raad van State, 13 juli 2026

Zaakgegevens

Op 13 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 juli 2026
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
202505794/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4101
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 18 december 2024 heeft Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) voor zijn minderjarige zoon afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 10 november 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:23675
  2. Raad van State · 13 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:4101

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202505794/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats], in de hoedanigheid van ouder van het minderjarige kind [kind],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 november 2025 in zaak nr. 25/3840 in het geding tussen:

[appellant]

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).

Openbare zitting gehouden op 13 juli 2026 om 14:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer

griffier: mr. C. Kouidar

Verschenen:

CSG, vertegenwoordigd door L. Neuman;

Bij besluit van 18 december 2024 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) voor zijn minderjarige zoon afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2025 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 10 november 2025 van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 mei 2025 ongegrond is verklaard.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden:

Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Uit de mutatierapporten van de politie volgt niet dat zijn zoon aanwezig was op een moment dat zich een geweldsincident heeft voorgedaan. Ook volgt daar niet uit dat de zoon van [appellant] getuige is geweest van stelselmatig huiselijk geweld, waarbij de CSG psychisch letsel veronderstelt. Wel volgt uit de overgelegde stukken dat de ex-partner van [appellant] en moeder van zijn zoon verschillende keren al dan niet onder invloed van middelengebruik bij de woning van [appellant] is geweest. Voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds is echter vereist dat met objectieve stukken aannemelijk wordt gemaakt dat de zoon van [appellant] slachtoffer of waarnemer is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Aan dit vereiste is niet voldaan.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

1120