Bestuursrecht overig

Bij besluit van 23 november 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven een aanvraag van…

Zaakgegevens

Op 13 januari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
Zaaknummer
202405705/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:411
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 23 november 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Een aanvrager van een uitkering uit het schadefonds moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Dit staat in het beleid van de CSG en volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling.

Uitspraak

202405705/1/A2.

Datum uitspraak: 13 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 25 juli 2024 in zaak nr. 24/2523 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).

Openbare zitting gehouden op 13 januari 2026 om 12:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter

griffier: mr. H.A. Komduur

Verschenen:

[appellante], bijgestaan door mr. P. van Baaren, advocaat in Rotterdam;

De CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd.

Bij besluit van 23 november 2023 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 25 juli 2024 van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant, waarbij de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 12 februari 2024 ongegrond heeft verklaard.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden:

Een aanvrager van een uitkering uit het schadefonds moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Dit staat in het beleid van de CSG en volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling. [appellante] heeft geen aangifte bij de politie gedaan en er heeft geen strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. Met de door [appellante] overgelegde stukken heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode van 2016 tot 2021 desondanks slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. De in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder een bericht van iemand genaamd [persoon A] dat is gericht aan een officier van justitie, een e-mail van maatschappelijk werk over afspraken van [appellante] bij een WMO-klantmanager, Veilig Thuis en de reclassering en een verklaring van [persoon B] zijn geen objectieve aanwijzingen dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Komduur

griffier

809