202502669/1/A2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Stichting Sportspectrum Next, gevestigd in Alphen aan de Rijn,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2021 in zaak nr. 20/1654 en 20/1655 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2018 heeft het college de aanvraag van de stichting tot toekenning van privatiseringswachtgeld aan negen van haar voormalige werknemers niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 27 januari 2020 heeft college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 16 juli 2021 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ingesteld.
Bij uitspraak van 19 mei 2023 heeft de CRvB zich onbevoegd verklaard en het hoger beroep bij brief van 8 juli 2025 ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 januari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.W.C. Kleef, rechtsbijstandverlener in Boskoop, en het college, vertegenwoordigd door W. Nieuwenhuizen en B. van Es, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 25 mei 2000 heeft de gemeenteraad van de gemeente Alphen aan den Rijn besloten om de taken van de afdeling sport en recreatie te privatiseren. Vanwege deze privatisering heeft het college de ambtenaren van deze afdeling met ingang van 1 juli 2001 eervol ontslag verleend en zijn zij aansluitend op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij de stichting. In het kader van deze overgang is het Sociaal Plan Sport en Recreatie Alphen aan den Rijn opgesteld. Op 1 januari 2016 zijn deze medewerkers ontslagen bij de stichting vanwege het door de gemeente stopzetten van de subsidie na een nieuwe openbare aanbesteding. Het college heeft de aanvraag van de stichting om wachtgeld niet-ontvankelijk verklaard omdat de stichting geen belanghebbende is bij de vraag haar of voormalige werknemers aanspraak hebben op privatiseringswachtgeld. In bezwaar heeft het college die beslissing in stand gelaten.
2. De rechtbank heeft het door de stichting ingestelde beroep ongegrond verklaard en de beslissing op bezwaar in stand gelaten. Hierbij heeft zij overwogen dat de rechten die in het sociaal plan zijn opgenomen, zijn toegekend aan de voormalig werknemers. Dat maakt het belang dat de stichting bij de uitoefening van die rechten heeft niet rechtstreeks, maar indirect. Op grond van artikel 8:1, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid en artikel 1:2, tweede lid, van de Awb kan alleen een rechtstreeks belanghebbende bezwaar maken tegen een besluit.
3. De grond die de stichting in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.6 tot en met 3.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Hieraan voegt de Afdeling toe dat voor zover de stichting betoogt dat de subsidierelatie met de gemeente maakt dat zij belanghebbende is, die subsidierelatie onderwerp was van een andere procedure. Enige onvrede over die afwikkeling had in dat hoger beroep aan de orde had kunnen komen. Maar de stichting heeft dat hoger beroep ingetrokken nadat zij afspraken had gemaakt met het college over de afwikkeling.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
5. De stichting heeft op de zitting van 26 januari 2026 verzocht om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
5.2. Het college heeft het bezwaarschrift van de stichting ontvangen op 21 januari 2019. De procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. Dit betekent dat de redelijke termijn met drie jaar en zes maanden is overschreden. Deze overschrijding moet voor 7/42e deel worden toegerekend aan het college en voor de rest, gelet op het procesverloop, aan de Staat der Nederlanden (23/42e deel te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en 12/42e deel te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
5.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee komt de schadevergoeding wegens overschrijving van de redelijke termijn neer op € 3.500,00. Hiervan moet € 583,33,00 worden betaald door het college en € 2.916,67 door de Staat der Nederlanden (€ 1.916,67 door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.000,00 door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
5.4. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten de proceskosten vergoeden die de stichting heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het college van burgemeester van en wethouders van Alphen aan den Rijn om aan Stichting Sportspectrum Next een schadevergoeding van € 583,33 te betalen;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Stichting Sportspectrum Next een schadevergoeding van € 2.916,67 te betalen (€ 1.916,67 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.000,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties);
IV. veroordeelt het college van burgemeester van en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij Stichting Sportspectrum Next in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. veroordeelt Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Stichting Sportspectrum Next in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 116,75 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 116,75 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
284-1043