Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:4152

Op 15 July 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202504926/1/R2, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:4152.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202504926/1/R2
Datum uitspraak:
15 July 2026
Datum publicatie:
15 July 2026

Indicatie

Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan het Waterschap Rijn en IJssel de aangevraagde ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming verleend. Het waterschap heeft een projectplan vastgesteld dat als doel heeft het verbeteren van de natuurkwaliteit en klimaatrobuustheid van het natuurgebied ‘Hagenbeek’. De concrete maatregelen bestaan onder meer uit het verondiepen en dempen van watergangen rondom het natuurgebied Hagenbeek. In de te dempen watergangen zijn poelkikkers aangetroffen. Ook kan de aanwezigheid van waterspitsmuizen niet worden uitgesloten. Het waterschap heeft voor beide soorten een Wnb-ontheffing aangevraagd. Het college heeft de ontheffing verleend, in eerste instantie voor de periode tot 30 juni 2025 en vervolgens, met het besluit van 10 juni 2025, tot en met 30 juni 2027.

Uitspraak

202504926/1/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en anderen, allen gevestigd respectievelijk wonend, in [plaats],

appellanten,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juli 2025 in zaak nr. 24/6311 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college aan het Waterschap Rijn en IJssel de aangevraagde ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend.

Bij besluit van 10 juni 2025 heeft het college het besluit gewijzigd op aanvraag van het waterschap en is de werkingsduur van de ontheffing verlengd van 30 juni 2025 naar 30 juni 2027.

Bij mondelinge uitspraak van 21 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] en anderen ingestelde beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juni 2026, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door M.V. Hazekamp, rechtsbijstandverlener in Delden, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. van Gerwen en ing. T. Brouwer zijn verschenen. Ook is op de zitting het waterschap, vertegenwoordigd door [gemachtigden] als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk. De aanvraag voor een ontheffing is ingediend op 28 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het waterschap heeft een projectplan vastgesteld dat als doel heeft het verbeteren van de natuurkwaliteit en klimaatrobuustheid van het natuurgebied ‘Hagenbeek’. De concrete maatregelen bestaan onder meer uit het verondiepen en dempen van watergangen rondom het natuurgebied Hagenbeek. In de te dempen watergangen zijn poelkikkers aangetroffen. Ook kan de aanwezigheid van waterspitsmuizen niet worden uitgesloten. Het waterschap heeft voor beide soorten een Wnb-ontheffing aangevraagd. Het college heeft de ontheffing verleend, in eerste instantie voor de periode tot 30 juni 2025 en vervolgens, met het besluit van 10 juni 2025, tot en met 30 juni 2027.

De uitspraak van de rechtbank

3.       In haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat voor zowel de natuurlijke personen als voor de bedrijven van [appellante] en anderen die zich beroepen op de normen uit de Wnb, het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de weg staat aan vernietiging van de verleende Wnb-ontheffing en de verlenging van de werkingsduur van de ontheffing. Volgens de rechtbank hebben [appellante] en anderen geprobeerd op te komen voor belangen van de natuur en zijn dit niet hun eigen belangen. De natuurlijke persoon binnen [appellante] en anderen die het meest dichtbij de projectlocatie woont, woont op een afstand van meer dan 300 meter. Er is daarom geen verwevenheid tussen het belang van de natuurlijke personen bij behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving en het algemene belang van de natuurbescherming. Ten aanzien van de bedrijven is niet gebleken dat hun bedrijfsvoering wordt beïnvloed door een mogelijke schending van de Wnb. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat geen sprake is van een inbreuk op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Beoordeling in hoger beroep

4.       [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het besluit. Volgens hen moet voor de toepassing van artikel 8:69a van de Awb worden aangesloten bij het toetsingskader van de belanghebbendheid, namelijk dat een appellant opkomt voor zijn eigen belang, zodra niet is uitgesloten dat de betrokkene gevolgen van enige betekenis ondervinden. Ook wanneer de afstand tussen het project en de woningen of ondernemingen van de betrokkene groter is dan 100 meter.

De rechtbank heeft volgens hen ook ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM, omdat [appellante] en anderen te ver weg wonen van de projectlocatie en er geen relevante beïnvloeding van de bedrijfsvoering te verwachten is.

4.1.    De Afdeling kan zich vinden in de conclusie dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit van 22 juli 2024 en 10 juni 2025 en ziet geen aanleiding om anders te oordelen. [appellante] en anderen hebben op zitting nog aangevoerd dat de projectlocatie, ondanks de afstand, deel uitmaakt van de directe leefomgeving van de natuurlijke personen. Dit komt volgens hen door het open natuurgebied dat gelegen is aan de projectlocatie. Zij vrezen dat specifiek de poelkikker zich daardoor makkelijk kan verplaatsen naar hun gronden waardoor hun bedrijfsactiviteiten worden belemmerd. Ook dit biedt naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel dan de uitspraak van de rechtbank.

Het betoog slaagt niet.

4.2.    Verder hebben [appellante] en anderen voor het eerst op zitting in hoger beroep betoogd dat betekenis toekomt aan de artikelen 6 en 13 van het EVRM. Volgens hen leiden de strenge eisen van het relativiteitsvereiste ertoe dat een rechtsmiddel ontbreekt en wordt de toegang tot de rechter beperkt, zodat de schending van artikel 8 EVRM niet inhoudelijk besproken kan worden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:96) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest Ashingdane tegen het Verenigd Koninkrijk van 28 mei 1985, nr. 8225/78, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000822578), dat in artikel 6 van het EVRM niet een absoluut recht op toegang tot de rechter is neergelegd. Aan de Verdragsstaten komt een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het stellen van regels die zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en evenredig zijn.

Met artikel 8:69a van de Awb wordt het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern aangetast. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II 2009-2010, 32 450, nr. 3, blz. 20) behoort rechtsbescherming door de rechter gewaarborgd te zijn voor wie naar gesteld in zijn rechtspositie is aangetast, maar is niet iedere schending van een rechtsregel automatisch een aantasting van de rechtspositie van iedere belanghebbende. De wetgever beoogt met artikel 8:69a van de Awb een slagvaardiger bestuursprocesrecht, waarin geschillen vaker definitief worden beslecht, hetgeen een rechtmatig doel is. Nu artikel 8:69a van de Awb het beroep op een rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel alleen beperkt als deze rechtsregel of dit algemeen rechtsbeginsel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept en deze beperking niet als onevenredig kan worden aangemerkt, kan niet staande worden gehouden dat met dit artikel niet aan de eisen van artikel 6 van het EVRM wordt voldaan. Om dezelfde reden is artikel 8:69a van de Awb niet in strijd met artikel 13 van het EVRM.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Schellingerhout, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schellingerhout

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026

980