202503018/1/A3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2025 in zaak nr. 24/1444 in het geding tussen:
[appellante]
en
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2023 heeft de minister het verzoek van [appellante] om het heerlijkheidswapen van Baarsdorp voor te dragen voor bevestiging bij koninklijk besluit afgewezen.
Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. D.H.J. [appellante], en de minister, vertegenwoordigd door mrs. H.H.B. Hartkamp en M.G.T. van Leyenhorst, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Een heerlijkheid bestaat uit een aantal rechten die van kracht zijn binnen een specifiek omschreven gebied. [appellante] is eigenaar van de zakelijke rechten van heerlijkheid Baarsdorp. Zij heeft bij brief van 24 februari 2023 een verzoek bij de minister gedaan om het heerlijkheidswapen van Baarsdorp voor te dragen voor bevestiging bij koninklijk besluit. Zij heeft daarbij verwezen naar punt 1 van Soeverein Besluit van 24 december 1814 (SB 1814). De minister heeft het verzoek voor advies voorgelegd aan de Hoge Raad van Adel. De Hoge Raad van Adel heeft een afwijzend advies gegeven, omdat heerlijkheden een privaatrechtelijk karakter hebben en wapenverlening op grond van de ‘Beleidsregels verlenen, bevestigen, en wijzigen van wapens’ van 12 september 2023 niet mogelijk is. De minister heeft het advies overgenomen en stelt zich op het standpunt dat wapenverlening alleen mogelijk is aan provincies, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit SB 1814 niet is af te leiden dat de minister de bevoegdheid heeft om heerlijkheidswapens voor te dragen voor bevestiging bij koninklijk besluit. In Koninklijk Besluit 1919 (KB 1919) is de bevoegdheid om wapens ter bevestiging voor te dragen wel aan de minister toebedeeld, maar deze bevoegdheid geldt alleen voor wapens van provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen. Omdat heerlijkheden privaatrechtelijk van aard zijn, strekt de bevoegdheid van de minister zich dus niet hierover uit. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet gehouden was het verzoek van [appellante] door te sturen naar de Hoge Raad van Adel, omdat de Hoge Raad van Adel alleen maar wettelijke en buitenwettelijke adviestaken heeft en dus ook niet bevoegd was om wapens van heerlijkheden ter bevestiging voor te dragen.
Hoger beroep
3. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling het volgende aan toe.
4. [appellante] heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat uit de tekst van Koninklijk Besluit 1852 (KB 1852) volgt dat de minister bevoegd is tot het voordragen van een heerlijkheidswapen, omdat in KB 1852 staat dat de overige werkzaamheden van de Hoge Raad van Adel, niet zijnde adviezen, zijn overgegaan op de minister. Daargelaten wat deze ‘overige werkzaamheden’ zijn, hebben heerlijkheden met de grondwetswijziging van 1848 hun publiekrechtelijke status verloren. Uit KB 1919 volgt dat de minister alleen bevoegd is om wapens ter bevestiging voor te dragen voor zover deze afkomstig zijn van publiekrechtelijke lichamen of instellingen. Alleen al daarom heeft de minister het verzoek terecht afgewezen.
Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
1013