202504666/1/A3 en 202504666/2/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Purmerend,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2025 in zaak nr. 23/2727 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.
Procesverloop
Bij brief van 20 januari 2022 heeft het college aan [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt zijn adresgegevens in de basisregistratie personen (brp) te wijzigen.
Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het adres van [appellant] gewijzigd.
Bij brief van 30 september 2022 heeft het college aan [appellant] verzocht een vragenlijst in te vullen om vast te kunnen stellen of hij ingeschreven kan blijven staan op het briefadres.
Bij besluit van 14 maart 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 1 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit van 14 maart 2023 en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de brief van 20 januari 2022 en het besluit van 18 februari 2022.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat in Amsterdam, is verschenen.
[appellant] heeft op 17 juli 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft op 20 januari 2022 aan [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt zijn adresgegevens in de brp te wijzigen in een briefadres. Uit onderzoek was het college namelijk gebleken dat [appellant] niet langer woonde op het adres [locatie 1] in Purmerend. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het woonadres van [appellant] gewijzigd in het briefadres [locatie 2] in Purmerend.
1.1. Op 30 september 2022 heeft het college aan [appellant] verzocht een vragenlijst in te vullen om vast te stellen of hij nog steeds ingeschreven kan blijven staan op het briefadres. Bij het besluit van 14 maart 2023 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 30 september 2022 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook heeft de rechtbank ambtshalve het beroep tegen het voorgenomen besluit van 20 januari 2022 en het besluit van 18 februari 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit van 14 maart 2023 en niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het is gericht tegen de brief van 20 januari 2022 en het besluit van 18 februari 2022.
Beoordeling
4. De Afdeling is van oordeel dat het college het bezwaar tegen de brief van 30 september 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. In de brief van 30 september 2022 verzoekt het college [appellant] slechts om een vragenlijst in te vullen om zo vast te kunnen stellen of hij op het briefadres ingeschreven kan blijven staan. Daarmee is dit besluit niet gericht op een rechtsgevolg. De brief maakt, anders dan [appellant] stelt, geen onderdeel uit van een mogelijk te nemen toekomstig besluit.
4.1. Het betoog slaagt niet.
5. De Afdeling stelt vast dat [appellant] op 20 september 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen het voorgenomen besluit van 20 januari 2022 en het besluit van 18 februari 2022. De rechtbank heeft het beroep in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten staan in deze procedure niet ter toets.
5.1. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd. Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
7. [appellant] heeft een verzoek om schadevergoeding gedaan, maar heeft de schade die hij stelt te hebben geleden niet onderbouwd. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
735-1104