202503535/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amstelveen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2025 in zaak nr. 23/4681 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2020 heeft het college de aan [appellante] verleende schuldhulp beëindigd.
Bij besluit van 6 april 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 april 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] te nemen.
Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 5 november 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd motiveringsgebrek in dat besluit te herstellen.
Bij brief van 27 februari 2025 heeft het college de motivering van het besluit van 19 juni 2023 aangevuld.
Bij uitspraak van 30 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 19 juni 2023 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juni 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. G.M. Haring en mr. S. Slangen, beiden advocaat in Amsterdam, is verschenen.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
1. [appellante] is met ingang van 1 januari 2018 toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Zij had op dat moment een schuld van € 11.655,23. De tien schuldeisers zijn akkoord gegaan met het plan dat [appellante], tegen finale kwijting, in drie jaar tijd 14,88% van de schuld aflost. In het eerste jaar heeft [appellante] € 600,00 afgelost en in het tweede jaar € 612,00. Over het derde jaar zou zij nog € 477,00 moeten aflossen.
2. De kantonrechter heeft bij beschikking van 18 september 2019 het beschermingsbewind op verzoek van [appellante] met ingang van 1 oktober 2019 opgeheven.
3. Vanaf 7 februari 2020 heeft [appellante] vrijwillig deelgenomen aan budgetbeheer door Balans. Op 7 juli 2020 heeft Balans het budgetbeheer op verzoek van [appellante] beëindigd.
4. Het college heeft bij besluit van 5 november 2020 het schuldhulpverleningstraject beëindigd. Het college heeft toegelicht dat het op basis van de nieuwe schulden in de vaste lasten en aflossing de schuldhulpverlening niet kan voortzetten.
5. Het college is bij besluit van 6 april 2021 bij de beëindiging gebleven.
6. In de uitspraak van 25 november 2022 heeft de rechtbank vastgesteld dat het college aan de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject alleen het ontstaan van nieuwe schulden ten grondslag legt. De rechtbank heeft overwogen dat het college in het besluit van 6 april 2021 niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft niet onderzocht welke nieuwe schulden er waren ontstaan. Als de nieuwe schuld alleen een maand huurachterstand betrof, heeft het college niet gemotiveerd waarom deze schuld de beëindiging van de schuldhulpverlening rechtvaardigt.
7. Het college is bij besluit van 19 juni 2023 bij de beëindiging van de schuldhulpverlening gebleven en heeft voor de aanvullende motivering verwezen naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 19 juni 2023.
8. In de tussenuitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank overwogen dat het college het ontstaan van nieuwe schulden in de periode 7 juli 2020 (de beëindiging van het budgetbeheer door Balans) tot en met 5 november 2020 (de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject) niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek te herstellen.
9. Het college heeft bij brief van 27 februari 2025 de motivering van het besluit van 19 juni 2023 aangevuld.
Uitspraak van de rechtbank
10. De rechtbank heeft in uitspraak van 30 mei 2025 overwogen dat het college met de aanvullende motivering in de brief van 27 februari 2025 nog steeds geen objectief onderbouwd overzicht heeft overgelegd van de schulden van [appellante] per 7 juli 2020 en per 5 november 2020. Daar had de rechtbank in de tussenuitspraak van 20 januari 2025 wel expliciet om gevraagd. Hoewel de aanvullende motivering in overwegende mate op aannames en veronderstellingen van het college steunt, heeft het college het motiveringsgebrek voldoende hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de ingebrachte informatie dat de schuldenlast van [appellante] in de periode tussen 7 juli 2020 en 5 november 2020 inderdaad is opgelopen.
Het standpunt van [appellante] dat nog altijd niet duidelijk is of de € 800,00, die zij in augustus 2020 heeft overgemaakt, is meegenomen in de berekening, maakt het oordeel niet anders. [appellante] heeft niet toegelicht op welke berekening zij precies doelt. De stelling van [appellante] dat de toename van de huurachterstand in feite neerkomt op slechts € 71,38 is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant omdat dit nog steeds een toename van de schuldenlast van [appellante] inhoudt.
Hoger beroep
Goede procesorde
11. [appellante] betoogt dat de gang van zaken bij de rechtbank in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank heeft de gemachtigde van het college, na het verstrijken van de termijn die zij daarvoor in de tussenuitspraak had gegeven, benaderd met de vraag of het college gebruik wil maken van de gelegenheid om het gebrek in het besluit van 19 juni 2023 te herstellen. De procedure is daardoor niet gelijkwaardig verlopen.
11.1. De tussenuitspraak van 20 januari 2025 is verzonden op 23 januari 2025. Dat betekent dat de daarin genoemde hersteltermijn van vier weken op 20 februari 2025 eindigde. Het college heeft de aanvullende motivering van het gebrekkige besluit pas op 27 februari 2025, na hiertoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, aan de rechtbank toegezonden. Dat is, gelet op de in de tussenuitspraak gegeven termijn, te laat. Hoewel de gegeven termijn in de tussenuitspraak een bindende termijn is, verbindt de wet daaraan niet de consequentie dat de rechtbank gehouden is het nadere besluit steeds buiten beschouwing te laten. Het is aan de rechtbank om te bepalen, mede gelet op de voortgang van het beroep, of deze aanvullende motivering in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. Vergelijk de uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:812. Verder is van belang dat [appellante], nadat de rechtbank op 12 maart 2025 een kopie van de aanvullende motivering van het college aan haar heeft doorgestuurd, gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze te geven. Beide partijen zijn gelijkwaardig in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar voren te brengen. Hoewel de rechtbank in dit geval onduidelijk en niet adequaat heeft gecommuniceerd, is er, gelet op het voorgaande, geen strijd met een goede procesorde.
11.2. Het betoog slaagt niet.
Motiveringsgebrek
12. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beëindiging van de schuldhulpverlening ook na de bestuurlijke lus onvoldoende is gemotiveerd. Het college heeft bij de rechtbank e-mails en andere producties ingebracht, zonder hierop een toelichting te geven. Bovendien is zij door het college na de hoorzitting van 24 maart 2021 niet opnieuw gehoord over de al dan niet ontstane schulden en over de achtergrond daarvan. Verder heeft de rechtbank in de einduitspraak zelfstandig, aan de hand van de e-mails van 21 oktober 2020 en 31 augustus 2020, geconcludeerd dat haar schuld is toegenomen, zonder dat zij hierop een toelichting heeft kunnen geven. Niet duidelijk is of de rechtbank rekening heeft gehouden met de aanvangsschuld en de door haar in augustus betaalde € 800,00 aan huur. Ook heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de looptijd van de schuldhulpverlening waarbinnen de schuld kon worden afgelost. De rechtbank heeft verder niet onderkend dat de beëindiging van de schuldhulp onevenredig is. Het college heeft haar belang onvoldoende meegewogen. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit daarom ten onrechte in stand gelaten, aldus [appellante].
12.1. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 20 januari 2025 overwogen dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat de schulden van [appellante] in de periode van 7 juli 2020 tot 5 november 2020 zijn opgelopen. De rechtbank heeft aan het college expliciet de opdracht meegegeven om een objectief overzicht van de schulden te overleggen.
12.2. Het college heeft in de brief van 27 februari 2025 toegelicht dat [appellante] iedere maand een bedrag van € 696,56 aan huur moet betalen. Hoewel [appellante] in augustus een bedrag van in totaal € 800,00 aan de verhuurder heeft betaald, had zij in totaal € 1.393,12 moeten betalen. Verder heeft het college gesteld dat uit de e-mail van 21 oktober 2020 van het incassobureau aan Balans volgt dat de schuld verder is opgelopen. Dit suggereert volgens het college dat ook in de maanden na augustus niet de volledige huurpenningen zijn betaald.
12.3. Het had na de tussenuitspraak van 20 januari 2025 op de weg van het college gelegen om een duidelijk overzicht te maken van de schulden van [appellante] op 7 juli 2020 en op 5 november 2020. Dit heeft het college ten onrechte niet gedaan. Hoewel het college in de brief van 27 februari 2025 met de verwijzing naar de e-mail van 21 oktober 2020 van het incassobureau aan Balans een aanwijzing heeft gegeven dat [appellante] een achterstand heeft bij het betalen van de huur, blijft hiermee onduidelijk of deze achterstand in de periode na 7 juli 2020 is ontstaan en zo ja, met welk bedrag haar schuld in de periode tot aan de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject precies is opgelopen. De opbouw van de door het college genoemde saldo’s blijft dus onduidelijk. Tegen de achtergrond van wat [appellante] heeft aangevoerd, is de rechtbank op grond van de ingebrachte informatie ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.
12.4. Daarbij is ook van belang dat de rechtbank na de bestuurlijke lus geen nadere zitting heeft gehouden. [appellante] heeft wel een zienswijze gegeven op de brief van 27 februari 2025 met de aanvullende motivering en aanvullende producties van het college. Maar daarin heeft zij niet kunnen reageren op de conclusie die de rechtbank vervolgens verbond aan de e-mails van 31 augustus 2021 en 21 oktober 2021 van het incassobureau aan Balans, in samenhang bezien, namelijk dat hieruit volgt dat haar schuld is opgelopen. Het college heeft die conclusie zelf niet getrokken in de brief van 27 februari 2025. Het college heeft verder ook in hoger beroep geen duidelijk overzicht gegeven van de schulden van [appellante] op 7 juli 2020 en op 5 november 2020, noch is het op de zitting van de Afdeling verschenen om alsnog een toelichting te geven.
12.5. Daar komt bij dat het college, met het oog op de beoordeling van de evenredigheid van de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject, niet kan volstaan met de suggestie of veronderstelling dat de schuld is toegenomen. Omdat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt met welk bedrag de schuld van [appellante] is opgelopen, heeft het college ook geen goede belangenafweging kunnen maken. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 juni 2023 ten onrechte in stand gelaten.
12.6. Het betoog slaagt.
Proceskostenveroordeling
13. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank haar ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend, ondanks dat het beroep gegrond is verklaard.
13.1. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] gegrond verklaard en het besluit van 19 juni 2023 vernietigd. Wanneer een besluit op bezwaar door de rechter wordt vernietigd, is dat in de regel aanleiding om een proceskostenveroordeling ten laste van het verwerende bestuursorgaan uit te spreken, voor zover sprake is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Er is geen aanleiding in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Vergelijk de uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:879.
13.2. Het betoog slaagt.
Conclusie
14. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 juli 2023 in stand heeft gelaten en aan [appellante] geen vergoeding van de proceskosten heeft toegekend. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat zij het niet waarschijnlijk acht dat het college nu nog met een deugdelijke motivering komt dat de schulden van [appellante] zijn opgelopen. Zij herroept het besluit van 5 november 2020. Dit betekent dat het college het schuldhulpverleningstraject van [appellante] ten onrechte heeft stopgezet.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
15. [appellante] heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
15.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
15.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 14 december 2020. De redelijke termijn is met één jaar en zeven maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college worden toegerekend.
15.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.
15.4. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt dus toegewezen.
Proceskosten
16. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2025 in zaak nr. 23/4681, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 juli 2023 in stand heeft gelaten en aan [appellante] geen vergoeding van de proceskosten heeft toegekend;
III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 5 november 2020;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot betaling aan [appellante] van een schadevergoeding van € 2.000,00;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat college van burgemeester en wethouders van Amstelveen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht van € 143,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1067