202505653/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], zonder vaste woon- en verblijfplaats,
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 september 2025 in zaak nr. 24/6101 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2024, op schrift gesteld op 12 maart 2024, heeft de burgemeester besloten om het pand aan de [locatie] per direct, te weten 6 maart 2024, en gedurende zes maanden in zijn geheel te sluiten.
Bij besluit van 13 augustus 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 10 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door M.T. Smits, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] huurde de woning aan de [locatie] in Utrecht. Op 5 maart 2024 is een inspecteur binnengetreden in deze woning, vanwege een melding van de politie dat hier een hennepkwekerij was aangetroffen. De inspecteur heeft geconstateerd dat er drie verschillende kweekruimtes voor hennep waren en dat er op een gevaarlijke manier stroom werd gestolen. De politie heeft in de woning 115 hennepplanten aangetroffen. De burgemeester heeft daarop op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet de woning van [appellante] gesloten voor de duur van zes maanden. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De burgemeester heeft dit bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, vanwege het ontbreken van procesbelang, en heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat [appellante] haar schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Op basis van de stukken is onvoldoende duidelijk geworden dat [appellante] zes maanden huur heeft moeten doorbetalen. Daarnaast is onduidelijk of [appellante] had willen terugkeren naar de woning als de woning niet was gesloten, omdat zij in het buitenland verbleef. [appellante] heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van gederfd huurgenot tijdens de sluiting.
Wettelijk kader
3. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
Procesbelang
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen procesbelang heeft. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zes maanden huur heeft moeten doorbetalen. Zij wijst erop dat het een feit van algemene bekendheid is dat de verhuurder de huurovereenkomst pas opzegt tegen de laatste dag van de woningsluiting, waardoor de huurder de huur moet doorbetalen tot die dag. Subsidiair voert [appellante] aan dat als de huurovereenkomst al eerder zou zijn geëindigd, de verhuurder een vordering tot schadevergoeding op haar heeft vanwege het mislopen van huurinkomsten. Daarnaast voert [appellante] aan dat zij wilde terugkeren naar de woning. [appellante] voert verder aan dat zij zelfs als zij niet had willen terugkeren schade lijdt door de woningsluiting omdat zij zonder de sluiting de huur tegen de volgende maand had kunnen opzeggen, in plaats van dat zij zes maanden huur verschuldigd was.
5. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184, onder 5.1.
6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] procesbelang. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. [appellante] heeft toegelicht dat zij in de periode dat haar woning gesloten was de huur heeft moeten doorbetalen en dat zij bij familie in Marokko heeft verbleven. Het is niet onaannemelijk dat zij naar aanleiding daarvan kosten heeft moeten maken. Daarnaast heeft zij gedurende de sluiting niet in haar woning kunnen verblijven en is daarmee sprake van een inbreuk op haar woonrecht. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1031, onder 3.1 en van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184, onder 5.2.
7. Het betoog slaagt.
Conclusie over het hoger beroep
8. Het hoger beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling zal daarom de uitspraak van de rechtbank vernietigen. Omdat de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het bij haar ingediende beroep, zal de Afdeling dit alsnog beoordelen.
Beoordeling van het bij de rechtbank ingestelde beroep
9. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
10. Niet in geschil is dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd was tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Aan de orde is alleen nog de vraag of hij ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Daarvoor zal hij moeten beoordelen of sluiting in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Was de sluiting van de woning noodzakelijk?
11. [appellante] betoogt dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. [appellante] voert hiertoe aan dat de noodzaak om tot sluiting over te gaan relatief klein is, omdat er geen harddrugs zijn aangetroffen, zij geen recidive heeft in verband met opiumwetdelicten, er in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden niet al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit en er geen verdovende middelen in of vanuit de woning werden verhandeld waardoor er in mindere mate sprake was van loop naar de woning.
12. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk was. De burgemeester heeft hierbij mogen betrekken dat het ging om een grote hoeveelheid softdrugs, namelijk 115 hennepplanten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 maart 2024 blijkt dat er drie kweekruimtes voor hennep in de woning zijn aangetroffen. Uit dit proces-verbaal van bevindingen blijkt verder dat de meterkast was omgebouwd om stroom te stelen, er meerdere potten en zakken grond in de woning stonden, de muren waren voorzien van zilverfolie en de plafonds in de drie ruimtes vol hingen met speciale lampen. De burgemeester heeft zich op grond van deze concrete feiten en omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie. Met de sluiting heeft de burgemeester de woning aan de keten van drugshandel onttrokken.
13. Het betoog slaagt niet.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
14. [appellante] betoogt verder dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. [appellante] voert aan dat haar geen verwijt gemaakt kan worden, omdat zij niet op de hoogte was en ook niet redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in haar woning. [appellante] voert daarnaast aan dat de gevolgen van de woningsluiting bijzonder zwaar zijn omdat zij na de sluiting niet kon terugkeren in de woning. De burgemeester heeft ten onrechte in haar beoordeling betrokken dat dit aan [appellante] te wijten zou zijn.
15. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2924, onder 8, kan het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester geen gebruik van zijn bevoegdheid mag maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. Van de hoofdbewoner wordt verlangd dat hij toezicht uitoefent op wat in de woning gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht en dat dat mede afhankelijk is van de woonsituatie. De burgemeester zal, indien hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een woning gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de hoofdbewoner die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt.
16. De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] een verwijt kan worden gemaakt. [appellante] is als huurder en hoofdbewoner van de woning verantwoordelijk voor wat zich binnen de woning afspeelt. De burgemeester heeft terecht gesteld dat van [appellante] mag worden verwacht dat zij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van de woning, ook als zij tijdelijk in het buitenland verblijft. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat vrijwel de hele woning was ingericht en werd gebruikt als hennepkwekerij en deze daardoor in zijn geheel niet meer voor bewoning geschikt was of werd gebruikt. De burgemeester heeft bij het vaststellen van de verwijtbaarheid ook mogen betrekken dat de hennepkwekerij snel nadat [appellante] zegt naar het buitenland te zijn vetrokken in volledige werking is aangetroffen, terwijl het opzetten van een hennepkwekerij en laten groeien van de planten tijd in beslag neemt. Het is dan ook niet aannemelijk dat zij niet op de hoogte was van de hennepkwekerij in haar woning.
17. [appellante] heeft na de sluiting van de woning niet weer gebruik kunnen maken van de woning omdat zij op aandringen van de verhuurder de huur heeft opgezegd. De burgemeester heeft zich rekenschap gegeven van deze gevolgen. Gelet op het verwijt dat [appellante] gemaakt kan worden zijn de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen zoals de burgemeester die aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1031, onder 5.1.
18. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester in dit geval tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden heeft mogen overgaan.
Verzoek om schadevergoeding
20. [appellante] heeft verzocht om schadevergoeding vanwege de sluiting van de woning. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt [appellante] niet in aanmerking voor schadevergoeding. De Afdeling zal dit verzoek afwijzen.
Proceskosten
21. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de aangevallen uitspraak;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
V. veroordeelt de burgemeester van Utrecht tot vergoeding bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de burgemeester van Utrecht aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
317-1202
BIJLAGE
OPIUMWET
Artikel 13b
1 De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.