202504988/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2025 in zaak nr. 24/7488 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overneming van private schulden afgewezen.
Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de minister, in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Kartal, advocaat in Amsterdam, via een videoverbinding heeft deelgenomen, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt kort gezegd en voor zover hier relevant in dat een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Aan deze voorwaarden moet dus ook zijn voldaan.
3. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is opgenomen welke geldschulden en kosten worden overgenomen.
4. [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister verzocht om compensatie van afgeloste private schulden. Het gaat om een schuld van € 15.248,00 aan de Alliantie en een schuld van € 4.219,50 aan Fexxbudget.
5. De minister heeft geweigerd deze schulden te vergoeden, omdat bij beide schulden niet is voldaan aan artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht. De minister heeft ten aanzien van de schuld aan de Alliantie in aanmerking genomen dat deze al voor ontvangst van het compensatiebedrag uit de Catshuisregeling is voldaan. Met betrekking tot de schuld aan Fexxbudget is overwogen dat deze niet voldoet aan de eis van opeisbaarheid, neergelegd in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, nu er geen sprake was van een betalingsachterstand en dus ook niet van een opeisbare schuld.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geweigerd de schulden van [appellante] te vergoeden. Zij heeft hiertoe overwogen dat uit de brief van 7 april 2020 volgt dat [appellante] de schuld aan de Alliantie al voor het ontvangen van het compensatiebedrag uit de Catshuisregeling op 16 februari 2021 heeft afgelost. Ten aanzien van de schuld aan Fexxbudget heeft de rechtbank overwogen dat deze schuld niet voldoet aan de eis van opeisbaarheid, neergelegd in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Het grootste deel van de schuld is weliswaar afgelost in de periode na 16 februari 2021, maar aan alle betalingstermijnen was tijdig voldaan, waardoor geen betalingsachterstand is ontstaan. Omdat deze schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, heeft de minister ook terecht geweigerd deze schuld te vergoeden.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan
7. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] bevestigd dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de schuld aan Fexxbudget. De schuld aan de Alliantie valt daarom buiten de omvang van het geding.
Opeisbaarheid
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schuld aan Fexxbudget op grond van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht niet opeisbaar was. Zij voert aan dat de schuld mondeling is opgeëist en dat een officiële ingebrekestelling niet verplicht is om te bepalen of een lening daadwerkelijk is opgeëist.
8.1. De Afdeling volgt dit betoog niet. Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht vereist dat een schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Bepalend is dus of Fexxbudget vóór die datum (volledige) terugbetaling kon vorderen en niet of Fexxbudget de schuld feitelijk heeft opgeëist. Uit het betalingsoverzicht volgt dat er voor de periodieke betalingen geen sprake was van een achterstand en dus ook niet van een opeisbare schuld. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat Fexxbudget voor 1 juni 2021 mondeling volledige terugbetaling heeft gevorderd, en ook niet toegelicht op welk tijdstip en voor welke bedragen dit zou zijn gebeurd.
8.2. Het betoog slaagt niet.
Toetsing aan rechtsbeginselen
9. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van haar aanvraag om de schuld te vergoeden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voert aan dat het onderscheid dat wordt gemaakt tussen gedupeerde ouders met een betalingsachterstand, omdat zij zich niet hebben gehouden aan hun betalingsverplichtingen, en [appellante], die onder moeilijke omstandigheden wel aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, niet rechtvaardig is.
9.1. De gronden die [appellante] aanvoert, gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
11. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
705-1189