Bestuursrecht overig

[appellant] is voor het ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd. Hij is bij brief van 21 april 2025…

Raad van State, 4 september 2026

Zaakgegevens

Op 4 september 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
202501630/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5393
E-mail

Samenvatting

[appellant] is voor het ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd. Hij is bij brief van 21 april 2025 hierop gewezen. Nadat is gebleken dat [appellant] het griffierecht niet heeft betaald is bij brief van 22 januari 2026 een termijn gesteld tot 19 februari 2026 om het griffierecht te betalen.

Uitspraak

202501630/1/A2.

Datum uitspraak: 4 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Deventer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 maart 2025 in zaak nr. ZWO 24/2524 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Openbare zitting gehouden op 4 september 2026 om 11:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.C.W. Lange, voorzitter

Griffier: mr. S. Yildiz

Jurist: mr. F.L. de Boer

Verschenen:

Het college van burgemeester en wethouders van Deventer, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier, via videoverbinding;

====================================

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 18 maart 2025 van de rechtbank Overijssel.

De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Gronden:

[appellant] is voor het ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd. Hij is bij brief van 21 april 2025 hierop gewezen. Nadat is gebleken dat [appellant] het griffierecht niet heeft betaald is bij brief van 22 januari 2026 een termijn gesteld tot 19 februari 2026 om het griffierecht te betalen. [appellant] heeft vervolgens een beroep op betalingsonmacht ingediend. Hij is bij brief van 26 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om stukken over te leggen waaruit zijn inkomen en vermogen blijkt. [appellant] heeft daar niet op gereageerd. Bij brief van 18 juni 2026 is zijn verzoek daarom afgewezen en bij brief van dezelfde datum is aan [appellant] een termijn gesteld tot 16 juli 2026 om het verschuldigde griffierecht te betalen. Ook is nogmaals vermeld dat, als het te betalen griffierecht niet op de vermelde datum is ontvangen, [appellant] ervan moet uitgaan dat alleen al daarom niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en zijn zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld. Bij brief van 5 augustus 2026 is [appellant] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat hij het verschuldigde griffierecht volledig had voldaan binnen de daarvoor gestelde termijn. [appellant] is erop gewezen dat voor zover de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid is genoemd, deze onverkort geldt. Ook daarop heeft [appellant] niet gereageerd.

De Afdeling stelt vast dat het griffierecht niet op de rekening van de Raad van State is bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State is voldaan.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.

Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en de Afdeling niet kan toekomen aan het geven van een oordeel over wat in hoger beroep is aangevoerd.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Yildiz

griffier

594-1180