Bestuursrecht overig
Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] laten weten dat zijn…
ECLI:NL:RVS:2026:5784 · Raad van State · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-5784
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- 202506063/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5784
Samenvatting
Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] laten weten dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) stonden. De minister van Financiën heeft [appellant] bij brief van 4 augustus 2023 laten weten dat zijn persoonsgegevens in de FSV stonden. In die brief staat vermeld dat [appellant]’ gegevens daarin stonden, omdat het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, een overheidsorganisatie, zijn belastinggegevens bij de Belastingdienst had opgevraagd. Verder staat daarin dat wordt onderzocht of de opname van de persoonsgegevens in de FSV gevolgen heeft gehad voor [appellant]. De minister heeft het door [appellant] tegen de brief van 4 augustus 2023 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De brief is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De brief bevat slechts algemene informatie over de FSV en een feitelijke mededeling dat en waarom de persoonsgegevens daarin waren opgenomen. Deze informatie en mededeling is niet gericht op rechtsgevolg.
Uitspraak
202506063/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2025 in zaak nr. 24/1029 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] laten weten dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) stonden.
Bij besluit van 7 december 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2026, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft [appellant] bij brief van 4 augustus 2023 laten weten dat zijn persoonsgegevens in de FSV stonden. In die brief staat vermeld dat [appellant]’ gegevens daarin stonden, omdat het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, een overheidsorganisatie, zijn belastinggegevens bij de Belastingdienst had opgevraagd. Verder staat daarin dat wordt onderzocht of de opname van de persoonsgegevens in de FSV gevolgen heeft gehad voor [appellant].
Besluitvorming
2. De minister heeft het door [appellant] tegen de brief van 4 augustus 2023 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De brief is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief bevat slechts algemene informatie over de FSV en een feitelijke mededeling dat en waarom de persoonsgegevens daarin waren opgenomen. Deze informatie en mededeling is niet gericht op rechtsgevolg.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de brief van 4 augustus 2023 een besluit is. Hij stelt dat de daarin opgenomen informatie dat er slechts twee FSV-registraties op zijn naam staan onjuist is. Doordat de minister de onjuiste informatie uit voornoemde brief aan latere besluiten ten grondslag heeft gelegd, heeft die brief nadelige gevolgen voor hem gehad, bijvoorbeeld voor de aanspraak op tegemoetkoming uit de schadeherstelregelingen van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) en zijn verzoeken om schadevergoeding vanwege de onrechtmatige FSV-registratie. Daarmee is volgens [appellant] de brief van 4 augustus 2023 gericht op rechtsgevolg. [appellant] betoogt verder dat de minister een dwangsom aan hem moet betalen vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.
3.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de brief van 4 augustus 2023 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat artikel bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die beoogt om een bepaald rechtsgevolg tot stand te brengen. De brief is niet gericht op rechtsgevolg. Daarmee wordt [appellant] alleen geïnformeerd dat en waarom zijn persoonsgegevens zijn geregistreerd in de FSV. Dat die informatie volgens [appellant] onjuist is, leidt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, er niet toe dat de brief daarom wel rechtsgevolg heeft. Voor zover deze informatie ten grondslag ligt aan besluiten waarmee [appellant] het niet eens is, kan hij tegen die besluiten rechtsmiddelen aanwenden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zogenoemde afsluitende brief van 19 augustus 2023, waarover de minister heeft gezegd dat hij een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730. Nu de brief waartegen [appellant] bezwaar heeft gemaakt geen besluit is, is de minister op grond van artikel 4:17, vijfde lid, onder c, van de Awb geen dwangsom aan hem verschuldigd. De betogen slagen niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
1062