Bestuursrecht overig
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellante] om…
Raad van State, 1 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5980 · Raad van State · 1 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-5980
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202504653/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5980
Samenvatting
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming uit het Schadefonds afgewezen. Het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven bij besluit van 3 januari 2025 ongegrond verklaard. De CSG heeft de aanvraag van [appellante] afgewezen omdat zij niet met objectieve informatie aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Uit de overgelegde medische informatie en foto’s kan niet worden opgemaakt hoe [appellante] het letsel heeft opgelopen, wat daarvoor de aanleiding was en wat de omstandigheden waren.
Uitspraak
202504653/1/A2.
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2025 in zaak nr. 25/791 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Openbare zitting gehouden op 1 oktober 2026 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad: mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter
griffier: mr. D.T.J. van de Voort
Verschenen:
De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld.
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming uit het Schadefonds afgewezen. Het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar heeft de CSG bij besluit van 3 januari 2025 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 juli 2025, waarin het beroep van [appellante] tegen het besluit van 3 januari 2025 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
1. De CSG heeft de aanvraag van [appellante] afgewezen omdat zij niet met objectieve informatie aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Uit de overgelegde medische informatie en foto’s kan niet worden opgemaakt hoe [appellante] het letsel heeft opgelopen, wat daarvoor de aanleiding was en wat de omstandigheden waren.
2. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de onder rechtsoverwegingen 4 tot en met 4.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat het aan de aanvrager van een uitkering uit het schadefonds is om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf (artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven). Onder meer moet duidelijk worden wat de toedracht van het geweldsmisdrijf is, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond (paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel Schadefonds Geweldmisdrijven). [appellante] heeft met de door haar overgelegde documenten niet aannemelijk gemaakt dat zij slachtoffer was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
1062