Bestuursrecht overig

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een verzoek van…

Raad van State, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
202600919/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6220
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een verzoek van North Sea Venue B.V. (NSV) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingewilligd. NSV heeft verzocht om openbaarmaking van communicatie tussen [appellante], raadslid voor Democratisch Zaanstad, en de burgemeester en/of het college van burgemeester en wethouders. Kort gezegd is er verzocht om communicatie over [persoon] en zijn bedrijf NSV, een en ander gerelateerd aan het hekwerk aan de [locatie] in Zaanstad en de daarmee samenhangende problematiek. Het college heeft hierover tien e-mails aangetroffen. Bij het besluit van 9 juni 2021 heeft het college besloten tot openbaarmaking daarvan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Er heeft geen openbaarmaking plaatsgevonden.

Uitspraak

202600919/1/A3.

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 20 februari 2026 in zaak nr. 25/2311 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college een verzoek van North Sea Venue B.V. (NSV) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingewilligd.

Bij besluit van 18 januari 2022, hangende bezwaar, heeft het college het besluit van 9 juni 2021 ingetrokken.

Bij besluit van 23 juni 2022 heeft het college het daartegen gemaakte (pro forma) bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het besluit van 18 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 21 februari 2025, in zaak nr. 22/4141, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

Bij besluit van 28 maart 2025 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar van 14 juni 2021 tegen het besluit van 9 juni 2021 en het bezwaar van rechtswege tegen het besluit van 18 januari 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Bij uitspraak van 20 februari 2026, in zaak nr. 25/2311 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. K. van Driel, rechtsbijstandverlener in Heemskerk, en het college, vertegenwoordigd door J. Yakoubi, bijgestaan door mr. S.E.H. van Thoor, advocaat in Hoofddorp, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       NSV heeft verzocht om openbaarmaking van communicatie tussen [appellante], raadslid voor Democratisch Zaanstad, en de burgemeester en/of het college van burgemeester en wethouders. Kort gezegd is er verzocht om communicatie over [persoon] en zijn bedrijf NSV, een en ander gerelateerd aan het hekwerk aan de [locatie] in Zaanstad en de daarmee samenhangende problematiek. Het college heeft hierover tien e-mails aangetroffen. Bij het besluit van 9 juni 2021 heeft het college besloten tot openbaarmaking daarvan.

[appellante] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Voorafgaand aan het nemen van een besluit op dat bezwaar heeft het college onder meer aan NSV verzocht om een zienswijze en daarbij de tien e-mails feitelijk verstrekt. NSV heeft daarop op 15 december 2021 haar Wob-verzoek ingetrokken, waarna het college bij besluit van 18 januari 2022 het besluit van 9 juni 2021 heeft ingetrokken. Bij het besluit op bezwaar van 28 maart 2025 is zowel het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 9 juni 2021 als het bezwaar van rechtswege tegen het besluit tot intrekking van het besluit van 9 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, omdat niet meer tot openbaarmaking in de zin van de Wob zal worden besloten. Hetgeen [appellante] met haar bezwaar kon bereiken, is volgens het college bereikt.

Uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Er heeft geen openbaarmaking plaatsgevonden. Of het college onrechtmatig heeft gehandeld door de (geanonimiseerde) documenten ter beschikking te stellen aan NSV, is een vraag die in deze procedure niet kan worden beantwoord. Dat betreft namelijk een feitelijke handeling en is geen bestuursrechtelijk besluit. Daaruit volgt dat de door [appellante] gestelde schade die daaruit zou zijn voortgevloeid in deze procedure geen procesbelang kan vormen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Procesbelang in bezwaar

3.       [appellante] betoogt dat het procesbelang niet was vervallen ten tijde van het besluit op bezwaar. Haar belang is erin gelegen dat wordt beoordeeld of het college rechtmatig heeft gehandeld door de stukken hangende de bezwaarprocedure aan NSV ter beschikking te stellen. Het oordeel van de rechtbank heeft tot gevolg dat de rechtsbescherming van de Wob (en nu de Wet open overheid) wordt omzeild. Een en ander klemt te meer omdat de voorzieningenrechter het besluit tot openbaarmaking hangende bezwaar had geschorst. [appellante] stelt verder dat zij schade heeft geleden als gevolg van zowel het onrechtmatige primaire besluit tot openbaarmaking als van de verstrekking van de stukken aan NSV. Die bestaat uit een aantasting van haar persoonlijke levenssfeer, reputatieschade en de nadelige gevolgen van het gebruik van de verstrekte informatie in het al bestaande conflict. Ook is er een reële kans dat zich in de toekomst opnieuw een vergelijkbare situatie zal voordoen. De handelwijze vormt een precedent, zo stelt [appellante].

3.1.    Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er in de bezwaarfase procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het besluit op bezwaar. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit of een handeling ter voorbereiding van het besluit.

3.2.    Het college heeft bij het primaire besluit van 9 juni 2021 besloten tot openbaarmaking van de tien e-mails. In dit besluit staat dat het college de documenten over twee weken aan NSV zal toezenden, behoudens de rechten van de belanghebbende. [appellante] heeft zich met haar bezwaar tegen dit besluit verzet tegen de openbaarmaking. Zij had in bezwaar belang bij beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot openbaarmaking. Het feit dat het besluit van 9 juni 2021 inmiddels was ingetrokken, doet hieraan niet af. Tot op zekere hoogte was immers aannemelijk dat [appellante] schade zou lijden door het besluit van 9 juni 2021. Het college heeft namelijk, toen het voornemens was het bezwaar ongegrond te verklaren, de tien e-mails aan de verzoeker verstrekt, omdat zij meende dat zij hiertoe gehouden was in het kader van een zienswijzeprocedure. Deze verstrekking zou niet hebben plaatsgevonden als het besluit van 9 juni 2021 niet was genomen. Gelet op het voorgaande had [appellante] belang om de rechtmatigheid van het besluit van 9 juni 2021 te laten beoordelen bij de beslissing op bezwaar. Dat het besluit van 9 juni 2021 was ingetrokken, staat hieraan niet in de weg.

Het betoog slaagt.

Overschrijding redelijke termijn in beroep

4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op haar verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn was ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al overschreden. Die overschrijding is inmiddels verder toegenomen.

4.1.    De rechtbank heeft, ondanks dat schade is gesteld door overschrijding van de redelijke termijn, nagelaten dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Dat heeft zij ten onrechte niet gedaan.

Het betoog slaagt.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

5.1.    Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van het beroep.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1826) is in beginsel de redelijke termijn overschreden als in een zaak als deze, met een bezwaar, een beroep en een hoger beroep, de totale procedure meer dan vier jaar heeft geduurd. Anders dan het college acht de Afdeling de zaak niet zodanig complex dat de termijn moet worden verlengd. Dat de handelswijze van de rechtbank buiten de invloedsfeer van het college valt, is evenmin reden om van een langere termijn uit te gaan. Het bezwaar van [appellante] is op 14 juni 2021 door het college ontvangen. De rechtbank heeft op 20 februari 2026 haar tweede uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn dus twee jaar en ruim acht maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 3.000,00. Deze overschrijding is zowel aan het college als de rechtbank toe te rekenen en de vergoeding wordt naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid). Het college wordt voor de fase tot en met het beroep veroordeeld tot betaling van € 857,14 en de Staat tot betaling van € 2.143,86 als vergoeding voor door [appellante] geleden immateriële schade.

5.2.    Voor zover het betoog van [appellante] dat de overschrijding van de redelijke termijn inmiddels verder toegenomen zo moet worden begrepen dat zij om aanvullende schadevergoeding verzoekt, wijst de Afdeling dit af. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep is in beginsel een termijn van twee jaar redelijk. Het hogerberoepschrift is op 28 maart 2026 door de Afdeling ontvangen. Met het doen van de uitspraak van vandaag is die termijn niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding voor de fase van het hoger beroep daarom af.

6.       Doende wat de rechtbank verder zou moeten doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 maart 2025 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2021 inhoudelijk moet beoordelen en daarbij moet ingaan op de verstrekking van de tien e-mails.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Proceskosten

7.       Het college moet de proceskosten van het hoger beroep vergoeden. [appellante] heeft in bezwaar en beroep geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 20 februari 2026 in zaak nr. 25/2311;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 28 maart 2025, kenmerk 9306826 AWB-2022-0260;

V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad op om een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2021 te nemen;

VI.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep toe;

VIII.    veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante]:

- het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad ten bedrage van € 857,14, en

- de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ten bedrage van € 2.143,86;

IX.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X.      gelast het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van het door [appellante] voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 483,00.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Konings

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

612