Bestuursrecht overig
Bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6230 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6230
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202403897/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6230
Samenvatting
Bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht de verzoeken om handhaving van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] wat betreft het bewonen van de schuur op het perceel aan de [locatie A] in Maastricht afgewezen. Het college heeft aan [partij] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van wonen in een bijgebouw op het perceel tot 30 november 2021. [appellant sub 2] woont op het naburige perceel [locatie B] en [appellante sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. Volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is het gebruik en/of de bewoning van het gebouw na het verlopen van de geldigheidsduur van de vergunning niet gestaakt en is hiermee sprake van strijdig gebruik van het bestemmingsplan. Zij hebben het college daarom verzocht om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de schuur als zelfstandige woning. Door controles op het perceel heeft het college vastgesteld dat er niet langer in de schuur wordt gewoond en er hiermee geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit standpunt voldoende onderbouwd. De erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich hier niet in vinden, omdat zij van mening zijn dat het gebruik van de schuur wel in strijd is met het bestemmingsplan en het college dit niet voldoende heeft onderzocht.
Uitspraak
202403897/1/R1.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de erven van [appellante sub 1], wonend in Maastricht,
2. [appellant sub 2], wonend in Maastricht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024 in zaken nrs. 22/1913 en 22/2005 in het geding tussen:
[appellante sub 1] en [appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2022 heeft het college de verzoeken om handhaving van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] wat betreft het bewonen van de schuur op het perceel aan de [locatie A] in Maastricht afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 15 juli 2022 heeft het college, voor zover hier van belang, de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het college heeft de besluiten in stand gelaten, met aanvulling van de motivering.
Bij uitspraak van 17 mei 2024 heeft de rechtbank de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Na het instellen van hoger beroep is [appellante sub 1] overleden. Dit beroep wordt voortgezet door de erven van [appellante sub 1].
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2026. Het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.J.J. Opbroek-Erdkamp en G.E.H. Smeets, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is door [appellante sub 1] gedaan op 14 december 2021 en door [appellant sub 2] op 6 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft aan [partij] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van wonen in een bijgebouw op het perceel [locatie A] in Maastricht tot 30 november 2021. [appellant sub 2] woont op het naburige perceel [locatie B] en [appellante sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. Volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is het gebruik en/of de bewoning van het gebouw na het verlopen van de geldigheidsduur van de vergunning niet gestaakt en is hiermee sprake van strijdig gebruik van het bestemmingsplan. Zij hebben het college daarom verzocht om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de schuur als zelfstandige woning. Door controles op het perceel heeft het college vastgesteld dat er niet langer in de schuur wordt gewoond en er hiermee geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit standpunt voldoende onderbouwd. De erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich hier niet in vinden, omdat zij van mening zijn dat het gebruik van de schuur wel in strijd is met het bestemmingsplan en het college dit niet voldoende heeft onderzocht.
Toetsingskader
3. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, luidt: "het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan".
Het bestemmingsplan
4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Itteren-Borgharen". Het perceel heeft daarin de bestemming "Wonen".
Artikel 1.71 luidt: "Woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden."
Artikel 1.74 luidt: "Zelfstandige woning: een woning die een eigen toegang heeft en waarin de wezenlijke voorzieningen, zoals een was- en kookgelegenheid en een toilet, niet met bewoners van andere woonruimten hoeven te worden gedeeld."
Artikel 14.1, aanhef en onder a luidt: "De voor ‘Wonen‘ aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen."
Artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels luidt, voor zover hier van belang: "Het is verboden gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens te gebruiken in strijd met de bepalingen in deze regels. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woningen […]."
Het hoger beroep van de erven van [appellante sub 1]
- Heeft de rechtbank artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels juist uitgelegd?
5. De erven van [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels te beperkt heeft uitgelegd. Volgens hen heeft de raad van de gemeente er bij het vaststellen van het bestemmingsplan blijkbaar bewust voor gekozen om de term "wonen" niet in die bepaling op te nemen, waar hij dit elders in de planregels wel heeft gedaan. Volgens hen volgt hieruit dat niet pas bij bewoning sprake is van een overtreding, maar levert ook ander gebruik van de woonvoorzieningen in de schuur strijd op met het bestemmingsplan.
Mocht toch tot het oordeel worden gekomen dat pas bij bewoning sprake is van strijdig gebruik, dan zijn de erven van [appellante sub 1] van mening dat de rechtbank een ruimere uitleg had moeten geven aan het begrip "wonen" dan zij heeft gedaan. Omdat in het bestemmingsplan geen definitie is opgenomen van het begrip "wonen", moet volgens hen worden teruggevallen op het algemeen spraakgebruik. Volgens dat spraakgebruik vallen diverse uiteenlopende vormen van huisvesting onder "wonen". Het begrip is niet beperkt tot duurzaam verblijf en structureel gebruik, aldus de erven van [appellante sub 1].
5.1. Vast staat dat de schuur een vrijstaand bijgebouw is als bedoeld in artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels. Verder staat in hoger beroep niet langer ter discussie dat de schuur als zelfstandige woning op het perceel aanwezig mag zijn, in die zin dat in bouwkundig opzicht voorzieningen aanwezig mogen zijn die het gebouw feitelijk geschikt maken voor zelfstandige bewoning. Dat neemt niet weg dat artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels eraan in de weg staat om het bijgebouw daadwerkelijk als zelfstandige woning te gebruiken.
De rechtbank heeft overwogen dat uit de definitie van het begrip "zelfstandige woning" in de planregels niet volgt wanneer sprake is van "gebruik als zelfstandige woning". Incidenteel gebruik van de voorzieningen in de zelfstandige woning levert volgens de rechtbank geen strijdig gebruik op. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich pas strijdig gebruik voor als het bijgebouw door één huishouden zou worden bewoond. Daarbij is bewoning volgens de rechtbank aan de orde als zich duurzaam verblijf en structureel gebruik van de aanwezige woonvoorzieningen voordoet.
De Afdeling acht deze interpretatie van de rechtbank juist. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat het begrip "gebruik als zelfstandige woning" niet is gedefinieerd in de planregels. In verband daarmee moet dat begrip worden uitgelegd aan de hand van het algemeen spraakgebruik. In het licht daarvan heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat strijdig gebruik pas aan de orde is als het gebouw door één huishouden zou worden bewoond en dat van bewonen pas sprake is in geval van duurzaam verblijf en structureel gebruik van de aanwezige woonvoorzieningen. Dit betekent dat, anders dan de erven van [appellante sub 1] betogen, incidenteel gebruik van woonvoorzieningen in het bijgebouw geen strijd oplevert met artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
- Is voldoende vast komen te staan dat geen sprake is van een overtreding van artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels?
6. De erven van [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de door het college uitgevoerde controles niet deugdelijk zijn en dat wat is geconstateerd op een ondeugdelijke wijze is vastgelegd. Zo is in het eerste controlerapport de verkeerde datum genoemd en is na de tweede controle een foto bij het rapport gevoegd die niet op de vermelde datum is gemaakt. Alleen al hierom staat volgens de erven van [appellante sub 1] de ondeugdelijkheid van de controles vast. Ook hebben de controles volgens hen niet op juiste wijze plaatsgevonden, omdat alleen buiten het bijgebouw is gecontroleerd en het niet duidelijk is hoe er is gecontroleerd.
De erven van [appellante sub 1] betogen verder dat zelfs wanneer wordt uitgegaan van de bevindingen uit deze controles, is vast te stellen dat artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels is overtreden. In dat verband wijzen zij op de aanwezigheid van een gebruiksklare kinderwagen, planten in een vaas en flessen, blikjes en een afwasborstel op het aanrecht. Ook staat op de foto’s de in het bijgebouw aanwezige vaatwasser open en staat de oven aan. Verder is toegelicht dat er regelmatig kookluchten zijn waargenomen en dat [appellante sub 1] licht heeft zien branden in de badkamer. In tegenstelling tot wat in het rapport staat, ziet de bank in het bijgebouw er niet uit alsof die uit elkaar is gehaald en belemmeren de aanwezige grasmaaier en de andere artikelen niet het gebruik van de keuken, aldus de erven van [appellante sub 1]. Ook voeren zij aan dat het niet vreemd is dat er tijdens de controles niemand in het bijgebouw is aangetroffen, omdat de controles zijn uitgevoerd in de ochtend/middag op werkdagen. De erven van [appellante sub 1] verwijzen ter ondersteuning van hun standpunt naar een inmiddels verschenen verkoopbrochure voor de woning, waarin staat dat zich op het perceel twee woningen bevinden waarin gewoond kan worden, wat volgens hen ook gebeurt.
Ten slotte betogen de erven van [appellante sub 1] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het pas aan verzoekers om handhaving is om bewijs te leveren als er op een deugdelijke wijze door het college is onderzocht of er sprake is van een overtreding. Hierbij heeft de rechtbank er onvoldoende oog voor gehad dat de bewijspositie voor [appellante sub 1] beperkt was, zo betogen zij. Beide gevels zijn "blind", waardoor [appellante sub 1] niet in de woning kon kijken. Ook is er geen zicht op de inrit.
6.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat, omdat onder 5.1 van deze uitspraak is overwogen dat pas duurzaam verblijf en structureel gebruik van de aanwezige woonvoorzieningen leidt tot gebruik dat strijdig is met het bestemmingsplan, beoordeeld moet worden of het college voldoende heeft onderzocht of van dergelijk gebruik geen sprake is.
6.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat zich geen duurzaam verblijf en structureel gebruik van de aanwezige woonvoorzieningen voordoet, zodat geen sprake is van bewoning. Dit betekent dat er geen overtreding van het bestemmingsplan aan de orde is. De Afdeling licht dit oordeel hieronder toe.
Allereerst volgt de Afdeling de erven van [appellante sub 1] niet in hun standpunt dat de controlerapporten niet deugdelijk zijn opgesteld. Dat een datum verkeerd is vermeld en dat een foto op een andere datum blijkt te zijn genomen dan vermeld, maakt niet op voorhand dat het college zijn besluitvorming daarop niet mocht baseren. In de rapporten is duidelijk omschreven wat er is waargenomen en de rapporten zijn ondertekend door de betrokken toezichthouders.
Daarnaast volgt de Afdeling niet het standpunt dat de rapporten niet representatief zijn en dat hieruit niet kan worden vastgesteld dat geen sprake is van bewoning. Er heeft vier keer een controle op het perceel plaatsgevonden. De controles zijn onaangekondigd uitgevoerd en bij alle controles is niemand in het bijgebouw aangetroffen. Uit de controlerapporten valt op te maken dat het gebouw wel werd gebruikt. Zo stonden er verschillende artikelen opgeslagen en stonden er flesjes op het aanrecht. Dit hoeft naar het oordeel van de Afdeling echter nog niet te betekenen dat zich duurzaam verblijf en structureel gebruik van de woonvoorzieningen voordoen en geconcludeerd moet worden dat het gebouw werd bewoond. Dat geldt ook voor het feit dat [appellante sub 1] licht heeft zien branden en dat zij kookluchten heeft waargenomen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het verrichte onderzoek voldoende is, omdat er geen aanwijzingen zijn waargenomen dat er sprake is van bewoning van het bijgebouw. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat [appellante sub 1] hier weinig tegen ingebracht heeft. Wat de erven van [appellante sub 1] in hoger beroep aanvoeren over de inmiddels verschenen verkoopbrochure, maakt ook niet dat tot het oordeel moet worden gekomen dat er ten tijde van de besluitvorming in het bijgebouw werd gewoond.
De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat de rechtbank onvoldoende oog heeft gehad voor de bewijspositie van [appellante sub 1]. De rechtbank heeft, in tegenstelling tot wat de erven van [appellante sub 1] aanvoeren, onderkend dat de bewijslast in beginsel niet bij verzoekers om handhaving ligt. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat het gelet op het onderzoek dat het college heeft verricht, in dit geval aan verzoekers om handhaving is om tegenbewijs te leveren. De rechtbank heeft wat [appellante sub 1] heeft aangedragen als tegenbewijs beoordeeld en geconcludeerd dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van bewoning. Dat de bewijspositie van [appellante sub 1] beperkter was dan die van het college, is door de rechtbank onderkend. Wat is aangedragen, was naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om de bevindingen uit de rapporten te weerleggen. De Afdeling onderschrijft dat oordeel. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die alsnog grond geven voor voldoende twijfel aan de bevindingen uit de rapporten
Het betoog slaagt niet.
Het hoger beroep van [appellant sub 2]
- Heeft de rechtbank artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels juist uitgelegd?
7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van de schuur als zelfstandige woning moet worden uitgelegd als bewoning door één huishouden. De rechtbank zoekt volgens [appellant sub 2] ten onrechte aansluiting bij het begrip "wonen", terwijl het bestemmingsplan definities geeft voor "woning" en "zelfstandige woning".
Ook is volgens [appellant sub 2] een logische interpretatie van artikel 24, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 1.71 en artikel 1.74 van de planregels, dat het enkele gebruik maken van de schuur, ook met een incidenteel karakter, strijdigheid met het bestemmingsplan oplevert.
7.1. Onder 5.1 van deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat zich pas een overtreding van artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels voordoet als er sprake is van bewoning. Voor de onderbouwing hiervan verwijst de Afdeling naar wat is overwogen onder 5.1. Wat [appellant sub 2] hierover aanvoert maakt niet dat tot een ander oordeel moet worden gekomen.
Het betoog slaagt niet.
- Is voldoende vast komen te staan dat geen sprake is van een overtreding van artikel 24, aanhef en onder c, van de planregels?
8. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de wijze van controleren moet worden gerelateerd aan wat het handhavingsverzoek behelst. Dit betekent volgens hem dat het college binnen in de schuur en op de verdieping controles had moeten uitvoeren. Volgens [appellant sub 2] moet mede aan de hand van de inhoud van de koelkast, de badkamer en de staat van de bedden worden onderzocht of sprake is van bewoning van een gebouw. Verder verwijst [appellant sub 2] ter ondersteuning van zijn standpunt dat zich strijd voordoet met het bestemmingsplan, naar de inmiddels verschenen verkoopbrochure van de woning. Daarin is duidelijk omschreven dat twee woningen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden, aldus [appellant sub 2].
[appellant sub 2] betoogt verder dat de rechtbank het hem ten onrechte aanrekent dat hij de bevindingen uit de controlerapporten onvoldoende heeft weersproken. Volgens [appellant sub 2] ligt de bewijslast bij het college en is de bewijspositie van hemzelf beperkt. [appellant sub 2] heeft toegelicht dat hij een aantal keren heeft geroken dat er in het bijgebouw werd gekookt en dat een lamp in de badkamer heeft gebrand.
8.1. Onder 6.2 van deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de controlerapporten het oordeel van het college dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, kunnen dragen. Voor de onderbouwing hiervan verwijst de Afdeling naar wat is overwogen onder 6.2. Wat [appellant sub 2] hierover aanvoert maakt niet dat tot een ander oordeel moet worden gekomen.
Onder 6.2 van deze uitspraak heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de rechtbank voldoende rekening heeft gehouden met de beperkte mogelijkheden van [appellante sub 1] om relevant bewijs te leveren. Dit geldt ook voor de bewijspositie van [appellant sub 2]. Wat is aangedragen, is echter onvoldoende om de bevindingen uit de rapporten te weerleggen. Voor de onderbouwing hiervan verwijst de Afdeling naar wat is overwogen onder 6.2. Wat [appellant sub 2] hierover aanvoert maakt niet dat tot een ander oordeel moet worden gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
195-1185