Bestuursrecht overig
Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Noordwal-Veenkade" vastgesteld.
Raad van State, 1 mei 2012
ECLI:NL:RVS:2012:BW5234 · Raad van State · 1 mei 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening-bodemzaak/ecli-nl-rvs-2012-bw5234
Zaakgegevens
Op 1 mei 2012 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening en de bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 mei 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201201902/1/R2 en 201201902/2/R2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaakVoorlopige voorziening en bodemzaak (kortsluiting)De voorzieningenrechter beslist niet alleen over een tijdelijke maatregel, maar meteen ook definitief over de zaak zelf.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:BW5234
Samenvatting
Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Noordwal-Veenkade" vastgesteld.
Uitspraak
201201902/1/R2 en 201201902/2/R2.
Datum uitspraak: 1 mei 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
de stichting Stichting Bewonersorganisatie Zeeheldenkwartier De Groene Eland en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: de Stichting), gevestigd te 's-Gravenhage,
appellanten,
en
de raad van de gemeente den Haag,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Noordwal-Veenkade" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2012, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Stichting en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 april 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. H.G. Boenders, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag, en C. Marks, zijn verschenen.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2.3. De Stichting heeft de gronden van haar beroep niet vermeld. Bij aangetekende brief van 21 februari 2012 is de Stichting gewezen op dit verzuim en is zij tot en met 20 maart 2012 in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Stichting heeft de gronden van haar beroep ingediend bij brief van 2 april 2012, ingekomen bij de Raad van State op dezelfde datum, derhalve buiten de gestelde termijn. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de Stichting niet kan worden verweten niet tijdig de gronden van het beroep te hebben ingediend. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door de Stichting gestelde omstandigheid dat door een misverstand aan de zijde van de Stichting de gronden van haar beroep niet eerder zijn ingediend, nu het tijdig indienen van gronden een verantwoordelijkheid van de Stichting is. Ook overigens zijn er geen gronden om het verzuim verschoonbaar te achten.
2.4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Gelet op deze uitkomst bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Broekman
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012
12-726.