Bestuursrecht overig

Bij besluit van 17 januari 2005, kenmerk DGWM/2004/12844, heeft verweerder een last onder dwangsom als…

Raad van State, 15 maart 2005

Zaakgegevens

Op 15 maart 2005 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 maart 2005
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
200501380/1
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AT1942
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 17 januari 2005, kenmerk DGWM/2004/12844, heeft verweerder een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 1000,00 per keer dat voorschrift H.3, verbonden aan de vergunning van 18 mei 1999, wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.

Uitspraak

200501380/1.

Datum uitspraak: 15 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2005, kenmerk DGWM/2004/12844, heeft verweerder een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 1000,00 per keer dat voorschrift H.3, verbonden aan de vergunning van 18 mei 1999, wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 maart 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.T.M. van Elk, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W.R.H. Lutjes en ing. M.W.J. Verstappen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster voert aan dat ten onrechte is geconcludeerd dat geweigerde vrachten niet worden geregistreerd en zodoende dat voorschrift H.3 wordt overtreden.

2.2.    Ter zitting is gebleken dat in de inrichting inmiddels een registratie van geweigerde vrachten wordt bijgehouden. Gelet hierop alsmede op de aard van de verplichtingen die nodig zijn om aan de last te voldoen, namelijk het enkel registreren van geweigerde vrachten, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekster aanvoert geen onverwijlde spoed die vereist dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen in afwachting van de beslissing van verweerder op het door verzoekster gemaakte bezwaar.

2.3.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Leurs

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2005

372.