Bestuursrecht overig

Bij besluit van 2 juni 2005, kenmerk DGWM/2005/7601, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom…

Raad van State, 4 augustus 2005

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2005 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 augustus 2005
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
200505418/1
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AU0739
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 2 juni 2005, kenmerk DGWM/2005/7601, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning in werking hebben van een inrichting op het perceel Noordhoek 35-37 te Papendrecht.

Uitspraak

200505418/1.

Datum uitspraak: 4 augustus 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Handelsbedrijf De Rivierendriesprong b.v.", gevestigd te Papendrecht,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2005, kenmerk DGWM/2005/7601, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning in werking hebben van een inrichting op het perceel Noordhoek 35-37 te Papendrecht.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 augustus 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. J.G.M van Mierlo, M. van Herwijnen en J.L. Dierx, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Bartel en ing. R.M. van den Berg, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht, vertegenwoordigd door mr. P.F.H.A. Tillie, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat de inrichting van verzoekster in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zonder vergunning is opgericht en in werking is. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of legalisering op korte termijn mogelijk is.

   Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat hij geen dwangsommen zal innen die worden verbeurd in de periode tussen het aflopen van de begunstigingstermijn en het door verweerder nemen van een besluit op het door verzoekster ingediende bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2005. Onder die omstandigheid acht de Voorzitter geen onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aanwezig die het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

2.2.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2005

288.