Bestuursrecht overig
Bij besluit van 16 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het…
Raad van State, 3 februari 2010
ECLI:NL:RVS:2010:BL3300 · Raad van State · 3 februari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2010-bl3300
Zaakgegevens
Op 3 februari 2010 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 februari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200910080/1/M1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2010:BL3300
Samenvatting
Bij besluit van 16 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd omdat in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer binnen de inrichting een mobiele puinbreker in werking was.
Uitspraak
200910080/1/M1.
Datum uitspraak: 3 februari 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te [plaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Beuningen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd omdat in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer binnen de inrichting een mobiele puinbreker in werking was.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 januari 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door G.J. van Veen, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [verzoekster] voert aan dat tijdens werkzaamheden op locatie de as van de mobiele puinbreker is gebroken, waarna deze voor reparatie naar de werkplaats is gebracht. Na de reparatie is de puinbreker, deels in gebruik, getest. Tijdens deze test is een klacht binnengekomen bij de gemeente Beuningen, welke een controle heeft uitgevoerd. [verzoekster] heeft de werkzaamheden aan de puinbreker vervolgens gestaakt. [verzoekster] stelt dat zij de puinbreker nu niet kan gebruiken waardoor zij schade lijdt. Volgens haar behoeft zij voor het testen geen vergunning. Doordat de directeur van de inrichting zelf niet aanwezig was tijdens de controle, is niet vermeld dat het om een test ging, aldus [verzoekster].
2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat er gevaar voor herhaling is, omdat de puinbreker en ongebroken puin in de inrichting aanwezig zijn. Tijdens de controle heeft [verzoekster] niet vermeld dat het om een test ging, aldus het college. Het college betoogt dat voor het gebruik van een puinbreker een vergunning moet worden gevraagd.
2.3. De voorzitter stelt vast dat door een ambtenaar van de gemeente en twee medewerkers van de politie Beuningen/Wijchen is waargenomen dat binnen het terrein van de inrichting een mobiele puinbreker in werking was. In de geldende milieuvergunning van 19 augustus 2008 is het gebruik van een mobiele puinbreker niet vergund. Dat de mobiele puinbreker slechts werd getest en dat dat door de afwezigheid van de directeur tijdens de controle niet is gemeld, wat daarvan ook zij, doet daaraan niet af. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzitter gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. De voorzitter ziet dan ook aanleiding het verzoek af te wijzen. Daarbij betrekt de voorzitter dat de mobiele puinbreker vanaf 26 januari 2010 voor de periode van één maand op een andere locatie in gebruik zal zijn, zodat in die periode geen kans op herhaling bestaat, terwijl de beslissing op bezwaar naar verwachting binnen zes weken genomen zal worden. De voorzitter overweegt ten overvloede dat te overwegen ware om een aanvraag in te dienen voor een veranderingsvergunning, in welk geval zo nodig kan worden vergund dat gedurende een beperkt aantal dagen of dagdelen per jaar de mobiele puinbreker na reparatie kan worden getest.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Bijleveld
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010
433.