Bestuursrecht overig
Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" vastgesteld.
Raad van State, 7 februari 2011
ECLI:NL:RVS:2011:BP4689 · Raad van State · 7 februari 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2011-bp4689
Zaakgegevens
Op 7 februari 2011 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 februari 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201009225/2/R3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2011:BP4689
Samenvatting
Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" vastgesteld.
Uitspraak
201009225/2/R3.
Datum uitspraak: 7 februari 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], gevestigd te Moerstraten, gemeente Roosendaal,
en
de raad van de gemeente Roosendaal,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2010, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2010, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in een woonbestemming van de voormalige bedrijfswoning aan de [locatie 1] te Moerstraten. Dit perceel, in eigendom van [belanghebbende], is in het verleden kadastraal gesplitst van het perceel [locatie 2] - waar de stoeterij van [verzoekster] is gevestigd - en voor burgerbewoning in gebruik genomen. [verzoekster] wil met het verzoek voorkomen dat het plandeel in werking treedt, omdat tegen de burgerbewoning nog een handhavingsprocedure loopt en de woning dienst kan doen als bedrijfswoning voor de stoeterij.
2.3. De voorzitter ziet geen aanleiding voor de verwachting dat zich onomkeerbare gevolgen zullen voordoen voordat door de Afdeling uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Daartoe acht hij van belang dat de inwerkingtreding van het plan er niet aan in de weg staat dat handhaving van de voorheen geldende bestemming van het pand als bedrijfswoning nog altijd mogelijk is, indien het plandeel met de woonbestemming in de bodemzaak zou worden vernietigd. Verder heeft [belanghebbende] ter zitting verklaard dat hij geen (ver)bouwplannen heeft voor zijn woning en in ieder geval geen aanvraag voor een omgevingsvergunning zal indienen voordat door de Afdeling uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Bovendien is namens de raad ter zitting toegezegd dat [verzoekster] terstond wordt geïnformeerd indien gedurende de bodemprocedure niettemin een aanvraag voor een omgevingsvergunning zal worden ingediend. Voorts is van belang dat [verzoekster] geen eigenaar is van het perceel [locatie 1] en, gezien de opstelling van [belanghebbende], niet de verwachting bestaat dat die eigendom op korte termijn door [verzoekster] zal worden verkregen. Tot slot volgt uit de zich in de gedingstukken bevindende deskundigenadviezen dat een bedrijfswoning voor de stoeterij thans nog niet noodzakelijk is.
2.4. De voorzitter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt.
2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2011
429.