Bestuursrecht overig

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het college aan de Erven [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd…

Raad van State, 8 december 2011

Zaakgegevens

Op 8 december 2011 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 december 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
201106799/2/H4
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2011:BU7887
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het college aan de Erven [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd vanwege onder meer overtreding van artikel 55b, gelezen in samenhang met de artikelen 29 en 37, van de Wet bodembescherming, doordat niet voor 9 maart 2010 is begonnen met de sanering van het terrein aan de [locatie].

Uitspraak

201106799/2/H4.

Datum uitspraak: 8 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Spijkenisse, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft het college aan de Erven [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd vanwege onder meer overtreding van artikel 55b, gelezen in samenhang met de artikelen 29 en 37, van de Wet bodembescherming, doordat niet voor 9 maart 2010 is begonnen met de sanering van het terrein aan de [locatie].

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2011, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. A. van Diermen, [gemachtigde] en ing. A. Alblas, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, S. Rondhuis LLB, ing. F.J. de Groot en dr. F.L. van Vliet, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De voorzitter overweegt dat voorshands geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat [verzoeker] geen belanghebbende is.

2.2. [verzoeker] heeft zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening beperkt tot de last om uiterlijk op 26 november 2011 de sanering te beginnen overeenkomstig het "saneringsplan [locatie]" van 27 november 2009.

2.3. [verzoeker] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat verbeurte van dwangsommen dreigt. Hij heeft voorts gewezen op een melding start (deel)sanering die hij op 11 november 2011 heeft ingezonden bij het college. Volgens deze melding start de (deel)sanering op 26 november 2011.

2.3.1. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de op 11 november 2011 gemelde sanering niet overeenkomstig de last onder dwangsom zal plaatsvinden.

Nu derhalve geen verbeurte van dwangsommen dreigt heeft [verzoeker] reeds hierom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.2. Ook de overige door [verzoeker] aangevoerde gronden geven geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzitter komt ten aanzien van deze gronden, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet tot een ander oordeel dan de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 5 augustus 2011 in zaak nr. 201106799/1/H4 (www.raadvanstate.nl).

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011

433.