Bestuursrecht overig
Bij besluit van 6 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Blaricum Dorp 2018" vastgesteld.
Raad van State, 16 juli 2018
ECLI:NL:RVS:2018:2380 · Raad van State · 16 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2018-2380
Zaakgegevens
Op 16 juli 2018 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 16 juli 2018
- Datum publicatie
- 16 juli 2018
- Zaaknummer
- 201803085/2/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2018:2380
Samenvatting
Bij besluit van 6 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Blaricum Dorp 2018" vastgesteld.
Uitspraak
201803085/2/R1.
Datum uitspraak: 16 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekers], beiden wonend te Blaricum,
en
de raad van de gemeente Blaricum,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Blaricum Dorp 2018" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] beroep ingesteld.
[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 juli 2018, waar [verzoekers] en de raad, vertegenwoordigd door A. Testor en R.R. Lugard, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [partij A] en [partij B], bijgestaan door [gemachtigde].
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoekers] vrezen dat de uitoefening van hun landbouwmechanisatiebedrijf op het perceel [locatie A] in gevaar komt. De aanleiding daarvoor is dat in het plan aan een strook grond op het naastgelegen perceel [locatie B] waaraan voorheen de bestemming "Agrarisch" toekwam bij gewijzigde vaststelling van het plan de bestemming "Tuin" is toegekend. Daardoor is het volgens [verzoekers] mogelijk om extra bebouwing toe te voegen door bijvoorbeeld de woning op dat perceel in de richting van hun bedrijf uit te breiden en om op die strook grond - waarop zich thans feitelijk een verharding met grind en een nog niet afgebouwde fietsenberging bevinden - een terras of zwembad aan te leggen. [partij A] en [partij B] zijn de eigenaren van het perceel [locatie B].
3. [partij A] en [partij B] hebben ter zitting verklaard dat zij absoluut geen plannen hebben om op de bedoelde strook met de bestemming "Tuin" extra bebouwing toe te voegen door bijvoorbeeld hun woning uit te breiden richting het bedrijf van [verzoekers] of om op die strook grond een zwembad of terras aan te leggen. Er is daarom geen spoedeisend belang dat rechtvaardigt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Als [partij A] en [partij B] zich niet aan hun verklaring houden, kunnen [verzoekers] opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening indienen.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Helder w.g. Van Driel Kluit
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2018
703.