Bestuursrecht overig
Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen de aanvraag van…
Raad van State, 26 februari 2020
ECLI:NL:RVS:2020:542 · Raad van State · 26 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2020-542
Zaakgegevens
Op 26 februari 2020 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 26 februari 2020
- Datum publicatie
- 21 februari 2020
- Zaaknummer
- 202000087/2/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:542
Samenvatting
Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen de aanvraag van [verzoekster] voor een urgentieverklaring afgewezen.
Uitspraak
202000087/2/A3.
Datum uitspraak: 26 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], woonplaats onbekend,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 10 december 2019 in zaken nrs. 19/5370 en 19/6317 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft het college de aanvraag van [verzoekster] voor een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 23 augustus 2019 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 december 2019 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 januari 2020, waar het college, vertegenwoordigd door A.J.M. Schakenraad, is verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoekster] is voor het door haar ingediende verzoek griffierecht verschuldigd. Een verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen de termijn die daarvoor is gegeven, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. [verzoekster] heeft bij het indienen van haar hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij brief van 30 januari 2020 is dit beroep afgewezen. Bij aparte brief van 30 januari 2020 is [verzoekster] erop gewezen dat het griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening alsnog uiterlijk op 13 februari 2020 moest zijn voldaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoekster] voor de behandeling van het verzoek geen griffierecht heeft betaald.
4. De conclusie is dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 30 januari 2020 gestelde termijn op de rekening van de Raad van State is bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State is betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [verzoekster] in verzuim is geweest. Het verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.
w.g. Sevenster w.g. Binnema
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020
589.