Bestuursrecht overig

Bij besluit van 4 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Altena [verzoekster] onder…

Raad van State, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
202601300/2/R2
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4839
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 4 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Altena [verzoekster] onder oplegging een last onder dwangsom gelast om het bouwwerk op het perceel [locatie] ongenummerd in Hank geheel te verwijderen. Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 maart 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 202601300/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2026:4838), heeft de Afdeling op het hoger beroep van [verzoekster] beslist. Dat betekent dat geen sprake meer is van een geding. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitspraak

202601300/2/R2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], gevestigd in Hank, gemeente Altena,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West­-Brabant van 13 maart 2026 in zaak nr. 25/4820 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van burgemeester en wethouders van Altena.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2025 heeft het college [verzoekster] onder oplegging een last onder dwangsom gelast om het bouwwerk op het perceel [locatie] ongenummerd in Hank geheel te verwijderen.

Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is geregistreerd onder zaak nr. 202601300/1/R2. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door S. Kammer-Nieuwehuizen, M. van Vuuren, I.Y. Achterberg en F. Ezzarga, zijn verschenen. De zaak is op zitting tegelijkertijd behandeld met zaak nrs. 202601300/1/R2 en 202501511/1/R2.

Overwegingen

1.       Bij uitspraak van heden in zaak nr. 202601300/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2026:4838), heeft de Afdeling op het hoger beroep van [verzoekster] beslist. Dat betekent dat geen sprake meer is van een geding. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

2.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.

w.g. Minderhoud

voorzieningenrechter

w.g. Van Engelen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

842