Bestuursrecht overig

[verzoeker] heeft bij brief van 5 maart 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig…

Raad van State, 4 maart 2026

Zaakgegevens

Op 4 maart 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 maart 2026
Datum publicatie
24 februari 2026
Zaaknummer
202504929/2/A2
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:994
E-mail

Samenvatting

[verzoeker] heeft bij brief van 5 maart 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig aanbieden van een woning door het college van burgemeester en wethouders van Hattem. Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Uitspraak

202504929/2/A2.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 augustus 2025 in zaak nr. 25/14250 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hattem.

Procesverloop

[verzoeker] heeft bij brief van 5 maart 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig aanbieden van een woning door het college.

Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door M. de Ruiter en S. van den Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:982, heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Daarmee is aan deze procedure een einde gekomen en wordt geen voorlopige voorziening getroffen.

2.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

voorzieningenrechter

w.g. Rietveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

1064