Omgevingsrecht

Bij besluit van 7 juli 2026 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan TH Containers B.V…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202602709/1/R4
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6357
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 7 juli 2026 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan TH Containers B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het in werking hebben van een inrichting aan de Kloosterstraat 1 en 3, Aaltenseweg 56 en 58 en Oostelijke Oude Aaltenseweg 5 en 7 in Varsseveld (de bedrijfspercelen), het daar bouwen van twee nieuwe opslaghallen en een erfscheiding en het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een bedrijfsgebonden kantoor aan de Aaltenseweg 56 in Varsseveld. Bij besluit van 2 juli 2026 heeft de raad het TAM-omgevingsplan "Kom Varsseveld, herziening Kloosterstraat 3 e.o." als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek (wijzigingsbesluit) vastgesteld. [appellante A] was exploitante van de inrichting op de bedrijfspercelen. Het betrof een inrichting voor het inzamelen, opslaan en verwerken van afvalstoffen. Omdat de omgevingsvergunning voor de inrichting verouderd en onduidelijk was en er strijd was met het voor de bedrijfspercelen geldend bestemmingsplan, heeft er tussen de gemeente Oude IJsselstreek, de provincie Gelderland en de [appellante A] overleg plaatsgevonden.

Uitspraak

202602709/1/R4.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), in het geding tussen:

[appellante A], [appellant B] en [appellant C] (Exploitatiemaatschappij en anderen), gevestigd in Varsseveld of wonend in Heelweg,

appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Oude IJsselstreek,

2.       het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2026 heeft het college aan TH Containers B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het in werking hebben van een inrichting aan de Kloosterstraat 1 en 3, Aaltenseweg 56 en 58 en Oostelijke Oude Aaltenseweg 5 en 7 in Varsseveld (de bedrijfspercelen), het daar bouwen van twee nieuwe opslaghallen en een erfscheiding en het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een bedrijfsgebonden kantoor aan de Aaltenseweg 56 in Varsseveld.

Bij besluit van 2 juli 2026 heeft de raad het TAM-omgevingsplan "Kom Varsseveld, herziening Kloosterstraat 3 e.o." als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek (wijzigingsbesluit) vastgesteld.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen deze besluiten hebben de Exploitatiemaatschappij en anderen beroep ingesteld.

De Exploitatiemaatschappij en anderen, het college, de raad en TH Containers B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2026, waar zijn verschenen:

- de Exploitatiemaatschappij en anderen, vertegenwoordigd door [appellant B], [appellant C], [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.L. Baar, advocaat in Arnhem, en mr. P.J.G. Poels, advocaat in Nijmegen;

- het college, vertegenwoordigd door mr. J.K.M. Buitenhuis en mr. I.M. van der Heijden, advocaten in Den Haag, vergezeld door drs. J.P. Rabou;

- de raad, vertegenwoordigd door R. Schottert.

Verder is op de zitting TH Containers B.V, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Ter uitvoering van de afspraken die zijn gemaakt op de zitting, heeft het college een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Samenvatting van de uitspraak

1.       De Afdeling komt in de tussenuitspraak tot het oordeel dat afdeling 3.5 van de Awb niet van toepassing is op de omgevingsvergunning, omdat door het college geen coördinatiebesluit is genomen als is bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb. Ook komt de Afdeling tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet gecoördineerd is voorbereid op grond van de coördinatieregeling als is bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Dit heeft tot gevolg dat de Afdeling niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen de omgevingsvergunning. De Afdeling zal dat beroep daarom naar de rechtbank Gelderland sturen, zodat het daar in behandeling kan worden genomen. De Afdeling zal wel doorgaan met de behandeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het wijzigingsbesluit, omdat de Afdeling daarvoor de bevoegde rechter blijft.

Welk recht is op deze zaak van toepassing?

2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Wet van 3 maart 2021) in werking getreden.

2.1.    Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 maart 2020. Dat betekent dat in zoverre het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

2.2.    Door de raad is op 23 januari 2020 een coördinatiebesluit genomen op grond van artikel 3.30 van de Wro.

2.3.    Door de raad is op 12 december 2024 een coördinatiebesluit genomen op grond van artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb, zoals dat vanaf 1 januari 2024 geldt. Het wijzigingsbesluit is op 13 juni 2025 in ontwerp ter inzage gelegd en op 2 juli 2026 door de raad vastgesteld. Op deze besluiten is het recht, waaronder de Omgevingswet en afdeling 3.5 van de Awb die met ingang van 1 januari 2024 geldt, van toepassing.

Wet- en regelgeving

3.       De voor deze zaak van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Met "Awb (oud)" is gedoeld op de Awb zoals deze gold tot 1 januari 2024. Met "Awb (nieuw)" is gedoeld op de Awb zoals deze geldt vanaf 1 januari 2024.

Waar gaat deze uitspraak over?

4.       [appellante A] was exploitante van de inrichting op de bedrijfspercelen. Het betrof een inrichting voor het inzamelen, opslaan en verwerken van afvalstoffen. Omdat de omgevingsvergunning voor de inrichting verouderd en onduidelijk was en er strijd was met het voor de bedrijfspercelen geldend bestemmingsplan, heeft er tussen de gemeente Oude IJsselstreek, de provincie Gelderland en de [appellante A] overleg plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de [appellante A] op 12 maart 2020 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.

4.1.    Met het oog op een gecoördineerde behandeling van het vast te stellen bestemmingsplan en de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor milieu en bouwen en voor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor de bedrijfspercelen heeft de raad op 23 januari 2020 op grond van artikel 3.30 van de Wro een coördinatiebesluit genomen. Omdat het college van plan was om de aangevraagde omgevingsvergunning naar aanleiding van een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) te weigeren en de voor de inrichting geldende vergunningen in te trekken, heeft de raad op 30 juni 2022 besloten om het coördinatiebesluit aan te vullen door de gemeentelijke coördinatieregeling op grond van de Wro ook van toepassing te verklaren op het door het college voorgenomen intrekkingsbesluit.

4.2.    Vervolgens is in 2024 door de [appellante A] een deel van de exploitatie van de bedrijfspercelen verkocht aan TH Containers B.V., die die exploitatie op 1 januari 2025 heeft overgenomen. Ook is TH Containers B.V. houder geworden van de omgevingsvergunningen voor de inrichting. Omdat het college van plan was om de in 2020 aangevraagde omgevingsvergunning vanwege de overgenomen exploitatie te verlenen, heeft de raad op 12 december 2024 een nieuw coördinatiebesluit genomen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) ten behoeve van het coördineren van een wijziging van het omgevingsplan en de aanvragen voor een omgevingsvergunning milieu en bouwen en voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.

4.3.    Ter uitvoering van dat coördinatiebesluit van 12 december 2024 is op 17 juni 2025 kennisgegeven van de terinzagelegging van het ontwerp-wijzigingsbesluit en de ontwerpomgevingsvergunning bouwen en milieu per 13 juni 2025. Op 2 juli 2026 heeft de raad het wijzigingsbesluit vastgesteld als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wabo is op 7 juli 2026 door het college aan TH Containers B.V. verleend. Op 10 juli 2026 is van de vaststelling van het wijzigingsbesluit en de verlening van de omgevingsvergunning kennisgegeven.

4.4.    Op 21 augustus 2026 hebben de Exploitatiemaatschappij en anderen bij de Afdeling beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning. Ook hebben zij op 21 augustus 2026 aan de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om schorsing van voorschrift III.e van de omgevingsvergunning (Bibob-voorschrift). Naar aanleiding daarvan is de vraag gerezen of de Afdeling bevoegd is om van het beroep van de Exploitatiemaatschappij en anderen voor zover dat is gericht tegen de omgevingsvergunning kennis te nemen. De Afdeling heeft op 8 oktober 2026 een regiezitting zoals bedoeld in artikel 8:44 van de Awb (oud en nieuw) gehouden. Op deze zitting heeft de Afdeling het beroep behandeld voor zover dat is gericht tegen de omgevingsvergunning en voor zover het gaat over de bevoegdheidsvraag.

Wat is het oordeel van de Afdeling?

5.       In artikel 3:20 van de Awb (nieuw) is bepaald dat afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) van toepassing is op besluiten ten aanzien waarvan dat is bepaald:

a. bij wettelijk voorschrift; of

b. bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen (coördinatiebesluit).

In artikel 3:29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb (nieuw) is bepaald dat tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling, beroep open staat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling.

Uit artikel 8:6, eerste lid, van de Awb (nieuw) in samenhang gelezen met artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb (nieuw) volgt dat de Afdeling bevoegd is om in eerste en enige aanleg over een beroep tegen een besluit tot wijziging van een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet te oordelen.

5.1.    Er is geen wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder a, van de Awb (nieuw) dat bepaalt dat afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) van toepassing is op de vaststelling van een (wijziging van een) omgevingsplan op grond van de Omgevingswet en de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wabo.

5.2.    Met partijen is de Afdeling van oordeel dat uit de wettekst van artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) volgt dat een coördinatiebesluit in de zin van dit onderdeel moet zijn genomen door alle tot het nemen van de besluiten bevoegde bestuursorganen om afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) op die besluiten van toepassing te laten zijn. Dat betekent dat in dit geval het coördinatiebesluit had moeten zijn genomen door de raad en door het college. Omdat het coördinatiebesluit niet ook is genomen door het college maar alleen door de raad, is afdeling 3.5 van de Awb (nieuw), inclusief artikel 3:29, tweede lid, van de Awb (nieuw), niet van toepassing. De Afdeling is daarom niet bevoegd om van het beroep van de Exploitatiemaatschappij en anderen voor zover dat is gericht tegen de omgevingsvergunning van 7 juli 2026, kennis te nemen.

6.       Op 6 oktober 2026 heeft het college ter bekrachtiging van het besluit van de raad van 12 december 2024 alsnog een coördinatiebesluit op grond van artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) genomen ten behoeve van de voorbereiding en bekendmaking van een wijziging van het omgevingsplan en de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor milieu en bouwen en voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de bedrijfspercelen.

Dit besluit van 6 oktober 2026 maakt het oordeel onder 5.2 niet anders. Dat is allereerst zo, omdat dit besluit pas is genomen en in werking is getreden, nadat het wijzigingsbesluit en de omgevingsvergunning al waren voorbereid, het wijzigingsbesluit is vastgesteld en de omgevingsvergunning is verleend en beide besluiten op 10 juli 2026 bekend waren gemaakt. Ook de beroepstermijn tegen deze besluiten was inmiddels verstreken. Het doel en de strekking van afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) is de doelmatige gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten. Dit volgt onder meer uit de artikelen 3:22, 3:23, 3:25 en 3:26 van de Awb (nieuw). Ook de bezwaar- en de administratief beroepsprocedures en de (hoger-)beroepsprocedures vinden gecoördineerd plaats. Dit volgt uit de artikelen 3:27, 3:28 en 3:29 van de Awb (nieuw). Dit brengt mee dat het zowel voor de aanvrager als voor de bevoegde bestuursorganen duidelijk moet zijn welke besluiten onder de coördinatie van afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) vallen. De Afdeling wijst in dit verband ook op de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2018-2019, 35 256, nr. 3, p. 36. Dit betekent dat een coördinatiebesluit als is bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw), voorafgaand aan de te coördineren besluiten moet zijn genomen. De Afdeling wijst verder naar analogie op de uitspraken van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5146, onder 3 en van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:698, onder 6.1, en van 7 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7306, onder 2.11.

Bovendien is de Afdeling met het college - exceptief toetsend - van oordeel dat het college niet bevoegd was tot het nemen van een coördinatiebesluit waarmee de aangevraagde omgevingsvergunning op grond van de Wabo gecoördineerd met een wijziging van het omgevingsplan kon worden voorbereid en bekendgemaakt. Op de aangevraagde omgevingsvergunning is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2024. Daarnaast volgt uit artikel 5.1 van de Wet van 3 maart 2021 dat de artikelen van afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) niet van toepassing zijn op besluiten die zijn aangevraagd voor 1 januari 2024. De omgevingsvergunning is aangevraagd op 12 maart 2020. Dat betekent dat geen coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) kon worden genomen met betrekking tot het coördineren van deze omgevingsvergunning.

7.       Ook de stelling van het college dat de raad op 23 januari 2020 een coördinatiebesluit op grond van artikel 3.30 van de Wro heeft genomen en de omgevingsvergunning van 7 juli 2026 daarom moet worden geacht gecoördineerd te zijn voorbereid op grond van dit besluit, maakt het oordeel onder 5.2 niet anders. Uit artikel 8:6, eerste lid, van de Awb (oud) in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 van de Awb (oud) volgt dat tegen een besluit genomen op grond van (voor zover hier van belang) artikel 3.30, eerste lid, onder a of b, van de Wro beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Dit betekent dat het niet voldoende is als de omgevingsvergunning in kwestie alleen in een door de raad genomen coördinatiebesluit op grond van artikel 3.30, eerste lid, onder a of b, van de Wro is genoemd. Het is noodzakelijk dat die omgevingsvergunning ook met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling op grond van de Wro is voorbereid en bekend is gemaakt. De Afdeling wijst naar analogie op haar uitspraken van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1987, onder 4.1, en van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:349, onder 5.5.

Naar het oordeel van de Afdeling zijn er geen objectieve aanknopingspunten dat de omgevingsvergunning van 7 juli 2026 met toepassing van het coördinatiebesluit van 23 januari 2020 gecoördineerd is voorbereid en bekend is gemaakt. In de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsbesluit en van de ontwerpomgevingsvergunning (Gemeenteblad 2025, 261158), de kennisgeving van het vastgestelde wijzigingsbesluit en de verleende omgevingsvergunning (Gemeenteblad 2026, 331676) en in de omgevingsvergunning zelf staat juist dat de omgevingsvergunning met het wijzigingsbesluit gecoördineerd is voorbereid op grond van het coördinatiebesluit van 12 december 2024 en met toepassing van de coördinatieregeling als is bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw). Daarin is niet vermeld dat (ook) toepassing is gegeven aan het coördinatiebesluit van 23 januari 2020. Ook in de stukken behorend bij de omgevingsvergunning en behorend bij het wijzigingsbesluit is geen aanknopingspunt te vinden dat (ook) toepassing is gegeven aan het coördinatiebesluit van 23 januari 2020 en de gemeentelijke coördinatieregeling op grond van de Wro. De mededeling van het college op de zitting en de overweging van het college in het besluit van 6 oktober 2026 en de kennisgeving daarvan op 9 oktober 2026 (Provinciaal Blad 2026, 17191) achteraf dat de omgevingsvergunning wel is voorbereid in overeenstemming met de coördinatieregeling op grond van de Wro op grond van het coördinatiebesluit van 23 januari 2020, acht de Afdeling daarvoor onvoldoende.

Wat is de conclusie?

8.       De Afdeling is niet bevoegd om van het beroep van de Exploitatiemaatschappij en anderen voor zover dit is gericht tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 7 juli 2026 kennis te nemen.

8.1.    Uit artikel 6:15, eerste lid, van de Awb (oud en nieuw) volgt dat een beroepschrift, als het wordt ingediend bij een onbevoegde administratieve rechter, zo spoedig mogelijk wordt doorgezonden aan het bevoegde orgaan. De beroepschriften van de Exploitatiemaatschappij en anderen voor zover die zijn gericht tegen het hiervoor genoemde besluit van 7 juli 2026, worden daarom doorgezonden naar de rechtbank Gelderland.

Hoe gaat deze zaak nu verder?

9.       De Afdeling zal doorgaan met de behandeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het wijzigingsbesluit. Een datum waarop de behandeling van dit beroep op een zitting plaatsvindt, is op dit moment nog niet te geven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Eindspraak:

I.        verklaart zich onbevoegd om van het beroep van de [appellante A], [appellant B] en [appellant C] kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 7 juli 2026, kenmerk 2020-003944;

Tussenuitspraak:

II.       bepaalt dat de behandeling van het beroep van de [appellante A], [appellant B] en [appellant C] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oude IJsselstreek van 2 juli 2026, waarbij het TAM-omgevingsplan "Kom Varsseveld, herziening Kloosterstraat 3 e.o." als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek is vastgesteld, onder zaaknummer 202602709/3/R4 wordt voortgezet.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Huussen, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Huussen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1070

 

BIJLAGE

 

Wettelijk kader geldend voor 1 januari 2024

Algemene wet bestuursrecht (oud)

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 8:44

1. De bestuursrechter kan partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen. Indien niet alle partijen worden opgeroepen, worden de niet opgeroepen partijen in de gelegenheid gesteld het horen bij te wonen en een uiteenzetting over de zaak te geven.

[…]

Artikel 8:74

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.

2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Artikel 2 Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van bijlage 2 van de Awb luidt als volgt:

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

[…]

Wet ruimtelijke ordening

a. een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid […]

e. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a of b, 3.33, eerste lid, onder a of b, en 3.35, eerste lid […]

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…]

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.30

1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

2. Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toegepast.

3. Voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen wordt bij de toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Wettelijk kader geldend vanaf 1 januari 2024

Algemene wet bestuursrecht (nieuw)

Artikel 3:20

Deze afdeling is van toepassing op besluiten ten aanzien waarvan dat is bepaald:

a. bij wettelijk voorschrift; of

b. bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen (coördinatiebesluit)."

Artikel 3:22

1. Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende voorbereiding van besluiten, waarbij de bestuursorganen bij de beoordeling van de aanvragen in ieder geval rekening houden met de onderlinge samenhang tussen de aanvragen en tussen de te nemen besluiten.

2. De bevoegde bestuursorganen verlenen de medewerking die voor het welslagen van de coördinatie nodig is.

Artikel 3:23

1. De besluiten worden zoveel mogelijk gelijktijdig aangevraagd bij het coördinerend bestuursorgaan, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag. Het coördinerend bestuursorgaan kan bepalen dat voor het indienen van de aanvragen een andere termijn geldt.

2. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van de aanvragen een afschrift daarvan aan de bevoegde bestuursorganen.

3. Indien een aanvraag later dan de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend, wordt die aanvraag niet betrokken bij de gecoördineerde voorbereiding van de andere besluiten, tenzij het coördinerend bestuursorgaan anders bepaalt.

4. Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat de aanvraag om een besluit niet wordt behandeld indien niet tevens de aanvraag om een ander besluit is ingediend.

5. Het coördinerend bestuursorgaan is mede bevoegd tot het indienen van een aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan, indien het besluit waarop de aanvraag betrekking heeft, strekt tot uitvoering van een besluit dat door het coördinerend bestuursorgaan is genomen. De aanvraag kan mede namens een van de andere betrokken bestuursorganen worden ingediend.

Artikel 3:251. Indien op de voorbereiding van een van de besluiten afdeling 3.4 van toepassing is, is die afdeling van toepassing op alle besluiten, met inachtneming van het volgende:

a. de ingevolge de artikelen 3:11, 3:14 en 3:44, eerste lid, onderdeel a, vereiste terinzageleggingen geschiedt in ieder geval ten kantore van het coördinerend bestuursorgaan;

b. het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het mondeling naar voren brengen van zienswijzen wordt gegeven met betrekking tot alle ontwerpbesluiten gezamenlijk;

c. zienswijzen worden bij het coördinerend bestuursorgaan naar voren gebracht;

d. indien over een ontwerpbesluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder geldt dit eveneens met betrekking tot de andere ontwerpbesluiten;

e. indien een ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van een ander besluit dat geen onderdeel uitmaakt van de coördinatie, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat andere besluit;

f. het in de gelegenheid stellen te reageren op naar voren gebrachte zienswijzen geschiedt door het coördinerend bestuursorgaan;

g. de ingevolge die afdeling en afdeling 3.6 vereiste mededelingen, kennisgevingen en toezendingen geschieden door het coördinerend bestuursorgaan;

h. in afwijking van artikel 3:18 worden de besluiten genomen binnen een door het coördinerend bestuursorgaan te bepalen termijn, doch uiterlijk binnen de termijn die geldt voor het besluit met de langste beslistermijn;

i. de dag van terinzagelegging van de besluiten door het coördinerend bestuursorgaan is bepalend voor de aanvang van de beroepstermijn ingevolge artikel 6:8, vierde lid.

2. Indien afdeling 3.4 niet van toepassing is, geschiedt de voorbereiding met toepassing of overeenkomstige toepassing van de onderdelen b tot en met h van het eerste lid.

Artikel 3:26

1. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen besluiten zo spoedig mogelijk toe aan het coördinerend bestuursorgaan.

2. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de besluiten gelijktijdig bekend en legt deze, indien tevens terinzagelegging wettelijk is voorgeschreven op grond van afdeling 3.4, gelijktijdig ter inzage.

Artikel 3:27

1. Indien tegen een van de besluiten bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, geschiedt dit in afwijking van artikel 6:4 door het indienen van het bezwaar- of beroepschrift bij het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift een afschrift daarvan aan het bevoegde bestuursorgaan.

2. Het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het gebruik maken van het recht te worden gehoord wordt gegeven met betrekking tot alle bestreden besluiten gezamenlijk.

3. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen beslissingen op het bezwaar of beroep zo spoedig mogelijk toe aan het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de beslissingen gelijktijdig bekend en doet de ingevolge artikel 7:12, derde lid, of artikel 7:26, vierde lid, vereiste mededelingen.

4. Een beslissing op een verzoek in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, bedoeld in artikel 7:1a, vierde lid, wordt genomen door het coördinerend bestuursorgaan. Onverminderd artikel 7:1a, tweede lid, wijst het coördinerend bestuursorgaan het verzoek in ieder geval af indien tegen een van de andere besluiten een bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt.

Artikel 3:28

Voor de mogelijkheid van beroep bij de bestuursrechter worden besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling aangemerkt als één besluit.

Artikel 3:29

1. Tenzij het tweede lid van toepassing is, staat tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling beroep open bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het coördinerend bestuursorgaan zijn zetel heeft.

2. Tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling staat beroep open bij:

a.de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

[…]

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 8:44

1. De bestuursrechter kan partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen. Indien niet alle partijen worden opgeroepen, worden de niet opgeroepen partijen in de gelegenheid gesteld het horen bij te wonen en een uiteenzetting over de zaak te geven.

[…]

Artikel 8:74

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.

2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Artikel 2 Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van bijlage 2 van de Awb luidt als volgt:

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

[…]

Omgevingswet:

a. artikel 2.4

[…]

Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht

Artikel 5.1

Onverminderd hoofdstuk 4 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven de artikelen 3:21 tot en met 3:29 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel B, van deze wet, van toepassing op:

a. besluiten die zijn aangevraagd voor dat tijdstip;

b. ambtshalve te nemen besluiten waarvan de beslistermijn is aangevangen vóór dat tijdstip;

c. besluiten die zijn aangevraagd na dat tijdstip en ambtshalve besluiten waarvan de beslistermijn is aangevangen na dat tijdstip, indien:

1°.de eerste aanvraag, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is ingediend vóór dat tijdstip;

2°.de laatste aanvraag, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is ingediend na dat tijdstip doch binnen zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag of, indien toepassing is gegeven aan artikel 3:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen de door het coördinerend bestuursorgaan gestelde termijn."

Omgevingswet

Artikel 2.4 (omgevingsplan)

De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.3 (besluit op aanvraag)

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:

a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,

b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.