Omgevingsrecht
Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het…
ECLI:NL:RVS:2010:BL3308 · Raad van State · 4 februari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2010-bl3308
Zaakgegevens
Op 4 februari 2010 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 februari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200906255/2/H1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2010:BL3308
Samenvatting
Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een monumentaal pandje (berging) op het adres [locatie] te [plaats].
Uitspraak
200906255/2/H1.
Datum uitspraak: 4 februari 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 juli 2009 in zaken nrs. 09/67 en 09/160 in het geding tussen:
[verzoeker A] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een monumentaal pandje (berging) op het adres [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college het door [verzoeker A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2009, verzonden op 10 juli 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben onder meer [verzoeker A] en [verzoeker B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2010, hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 januari 2010, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door J.W. de Boer, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door B.C. Nieuwenhuijs, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bouwplan voorziet op gronden met de bestemming "Erven" in de oprichting van een gebouw met een nokhoogte van ongeveer 6,10 meter en een goothoogte van ongeveer 3,20 meter, waar ingevolge het geldende bestemmingsplan een nokhoogte van maximaal 3,50 meter en een goothoogte van maximaal 2,50 meter is toegestaan. Daarbij is dit gebouw als een berging van huishoudelijke aard gekwalificeerd, waarbij vrijstelling is verleend met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud). Ofschoon er naar voorlopig oordeel geen objectieve gronden aanwezig zijn om de stelling van verzoekers dat het gebouw in gebruik zal worden genomen als woning gerechtvaardigd te achten, is er, in aanmerking genomen de voorziene afmetingen van het gebouw, aanleiding voor gerede twijfel of de Afdeling in de bodemprocedure net als de rechtbank zal oordelen, dat in bouwkundige zin gesproken kan worden van een berging van huishoudelijke aard.
2.3. Ter voorkoming van onevenredig nadeel aan de kant van verzoekers ziet de voorzitter derhalve aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 2 december 2008, kenmerk AWB/2007/1132 Z/2008/83834, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 9 november 2007, kenmerk 20062060;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 49,50 (zegge: negenenveertig euro en vijftig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2010
392.