Vreemdelingenrecht

Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de minister van Asiel en Migratie binnen zes…

Raad van State, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.004958
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5961
E-mail

Samenvatting

Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de minister van Asiel en Migratie binnen zes weken na de dag van de verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

BRS.26.004958

ECLI:NL:RVS:2026:5961

Datum uitspraak: 12 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[eiser],

eiser,

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van de verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 13 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4033, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Eiser, vertegenwoordigd door mr. E.G. Grigorjan, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, heeft op 20 juli 2026 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag door de minister. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.

Overwegingen

1.        De rechtbank heeft op 18 september 2026 het beroep van eiser op het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn aanvraag binnen de door de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2026 gestelde termijn doorgezonden aan de Afdeling. De Afdeling beslist, los van het hoger beroep van de minister, nu op dit beroep.

2.        De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft op verzoek van de minister bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat hij geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Dat betekent dat het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit prematuur is ingediend. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.

3.        Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026

1161-644