Vreemdelingenrecht
Raad van State · Hoger beroep · Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2001:AD3345 · Raad van State · 18 juli 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2001-ad3345
Zaakgegevens
Op 18 juli 2001 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 juli 2001
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 200102983/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2001:AD3345
Uitspraak
Raad
van State
200102983/1.
Datum uitspraak: 18 juli 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 4 mei 2001 in het geding tussen:
appellante
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2001 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 mei 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het met kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juni 2001, hoger beroep ingesteld.
2. Overwegingen
2.1. Appellante heeft betoogd dat het beroep niet te laat is ingesteld, omdat de termijn daarvoor nog niet is aangevangen, nu de griffier van de rechtbank geen afschrift van de uitspraak naar haar gemachtigde, mr. [gemachtigde] (hierna: mr. [gemachtigde]), heeft gestuurd.
2.2. De Afdeling volgt haar niet in dit betoog. Gebleken is dat
mr. [vervanger] (hierna: mr. [vervanger]) appellante, ter vervanging van mr. [gemachtigde], bij de behandeling van de zaak ter zitting door de rechtbank heeft bijgestaan. Mr. [vervanger] is aldus bij de rechtbank opgetreden als haar gemachtigde. Nu aan hem op 4 mei 2001 een afschrift van de uitspraak is toegezonden, is de termijn voor het instellen van hoger beroep de dag erna aangevangen.
2.3. Die termijn is geëindigd op 11 mei 2001. Het hoger beroep is derhalve niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingesteld. Er is geen grond om te oordelen dat appellante daarmee niet in verzuim is geweest. Dat mr. [gemachtigde], naar appellante stelt, eerst bij brief van 15 juni 2001 door mr. [vervanger] op de hoogte is gesteld van de uitspraak, kan niet tot die conclusie leiden. Gevolgen van mogelijke nalatigheid van haar gemachtigde moeten appellante toegerekend worden.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2001
15-365.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,