Vreemdelingenrecht
Vreemdelingenbewaring / schadevergoeding motiveren / ontbreken stukken / Procesregeling vreemdelingenkamers…
ECLI:NL:RVS:2008:BD5573 · Raad van State · 19 juni 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2008-bd5573
Zaakgegevens
Op 19 juni 2008 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 juni 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200803602/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2008:BD5573
Samenvatting
Vreemdelingenbewaring / schadevergoeding motiveren / ontbreken stukken / Procesregeling vreemdelingenkamers en 8:31 Awb
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van de Procesregeling vreemdelingenkamers om binnen een nader genoemde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toe te zenden. Nu zij daardoor niet in de gelegenheid is geweest om de rechtmatigheid van de maatregel te toetsen, heeft zij, gezien het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep gegrond geacht en de maatregel met onmiddellijke ingang opgeheven.
De rechtbank heeft aldus uitdrukkelijk niet geoordeeld of en zo ja, met ingang van welke dag, de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Nu zij daarbij evenmin heeft gemotiveerd waarom zij geen gronden aanwezig heeft geacht om schadevergoeding toe te kennen, slaagt de grief.
Uitspraak
200803602/1
Datum uitspraak: 19 juni 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/15786 van de rechtbank 's Gravenhage van 14 mei 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte geen gronden aanwezig heeft geacht om een schadevergoeding toe te kennen. Aangezien volgens de rechtbank de rechtmatigheid van de bewaring niet getoetst kan worden, bestaat volgens hem de mogelijkheid dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is.
2.1.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van de Procesregeling vreemdelingenkamers om binnen een nader genoemde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toe te zenden. Nu zij daardoor niet in de gelegenheid is geweest om de rechtmatigheid van de maatregel te toetsen, heeft zij, gezien het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep gegrond geacht en de maatregel met onmiddellijke ingang opgeheven.
2.1.2. De rechtbank heeft aldus uitdrukkelijk niet geoordeeld of en zo ja, met ingang van welke dag, de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Nu zij daarbij evenmin heeft gemotiveerd waarom zij geen gronden aanwezig heeft geacht om schadevergoeding toe te kennen, slaagt de grief.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 mei 2008 in zaak nr. 08/15786;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt Schouten en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk
voorzitter
w.g. Snijders
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008
279
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak