Vreemdelingenrecht
Ten aanzien van het betoog van de staatssecretaris, dat hij de door de rechtbank gestelde vragen niet hoefde…
ECLI:NL:RVS:2011:BP5116 · Raad van State · 14 februari 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2011-bp5116
Zaakgegevens
Op 14 februari 2011 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 februari 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200910155/1/V2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2011:BP5116
Samenvatting
Ten aanzien van het betoog van de staatssecretaris, dat hij de door de rechtbank gestelde vragen niet hoefde te beantwoorden, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001 in zaak nr. 200104819/1 (AB 2002,19), overwogen dat het niet past dat een partij weigert inlichtingen te verstrekken, omdat zij van mening is dat deze niet van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. Daarmee is de rechtbank, anders dan in de grief is gesteld, gemotiveerd ingegaan op dat betoog van de staatssecretaris. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank, door de zaken van de medeplegers bij de beoordeling te willen betrekken, buiten de grenzen van het geschil is getreden. Uit de bij de rechtbank overgelegde stukken en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting blijkt dat de vreemdeling, ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, heeft betoogd dat aan de medeplegers van de gijzeling waarvoor hij is veroordeeld wel verblijfsvergunningen zijn verleend. Deze door de vreemdeling gestelde strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel maakt derhalve onderdeel uit van het geschil.
Procesgang
Rechtbank 's-Gravenhage · 25 november 2009
ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4914Raad van State · 27 mei 2010
ECLI:NL:RVS:2010:BM6889Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Raad van State · 14 februari 2011deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2011:BP5116
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
200910155/1/V2.
Datum uitspraak: 14 februari 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2009 in zaak nr. 08/17542 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2008 heeft de staatssecretaris, in het kader van het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, deze aanvraag afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 december 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft bij brieven, binnengekomen bij de Raad van State op 26 augustus 2010 en 1 november 2010, nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1 In de enige grief betoogt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op zijn betoog dat hij de door de rechtbank gestelde vragen over het verlenen van verblijfsvergunningen aan medeplegers van de gijzeling waarvoor de vreemdeling is veroordeeld niet hoefde te beantwoorden, omdat er geen grond bestond die zaken bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Bovendien is de rechtbank door de zaken van deze medeplegers bij de beoordeling te willen betrekken, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), buiten de grenzen van het geschil getreden, aldus de staatssecretaris.
2.1.1. De rechtbank heeft bij brief van 6 maart 2009 de staatssecretaris om nadere informatie verzocht over vergunningverlening aan de medeplegers van de gijzeling waarvoor de vreemdeling is veroordeeld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, overwogen dat nu de staatssecretaris heeft geweigerd een deel van de door haar gestelde vragen te beantwoorden, reeds hierom moet worden geoordeeld dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan en de rechtbank hieruit de gevolgtrekkingen kon maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank heeft vervolgens aan het feit dat de staatssecretaris heeft nagelaten de gevraagde gegevens te verstrekken, met toepassing van artikel 8:45 van de Awb, de gevolgtrekking verbonden dat de weigering de vreemdeling de gevraagde vergunning te verlenen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat daarom het besluit van 21 april 2008 moet worden vernietigd.
2.1.2. Ten aanzien van het betoog van de staatssecretaris, dat hij de door de rechtbank gestelde vragen niet hoefde te beantwoorden, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001 in zaak nr. 200104819/1 (AB 2002,19), overwogen dat het niet past dat een partij weigert inlichtingen te verstrekken, omdat zij van mening is dat deze niet van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. Daarmee is de rechtbank, anders dan in de grief is gesteld, gemotiveerd ingegaan op dat betoog van de staatssecretaris. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank, door de zaken van de medeplegers bij de beoordeling te willen betrekken, buiten de grenzen van het geschil is getreden. Uit de bij de rechtbank overgelegde stukken en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting blijkt dat de vreemdeling, ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, heeft betoogd dat aan de medeplegers van de gijzeling waarvoor hij is veroordeeld wel verblijfsvergunningen zijn verleend. Deze door de vreemdeling gestelde strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel maakt derhalve onderdeel uit van het geschil. De grief faalt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. De staatssecretaris, thans de minister voor Immigratie en Asiel, dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Van Loo
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2011
418-643.
Verzonden: 14 februari 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser