Vreemdelingenrecht
Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de Rb. blijkt dat de vreemdeling uitdrukkelijk een…
ECLI:NL:RVS:2012:BY5577 · Raad van State · 26 november 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2012-by5577
Zaakgegevens
Op 26 november 2012 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 november 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201203352/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:BY5577
Samenvatting
Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de Rb. blijkt dat de vreemdeling uitdrukkelijk een beroep op voormelde stukken heeft gedaan. De aangevallen uitspraak geeft er ten onrechte geen blijk van dat de Rb. heeft onderzocht, of voormelde stukken feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 83 Vw 2000 bevatten. De vreemdeling klaagt dan ook terecht dat de Rb., in strijd met art. 8:69 Awb en art. 83 Vw 2000, met voormelde stukken geen rekening heeft gehouden.
Uitspraak
201203352/1/V1.
Datum uitspraak: 26 november 2012
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 2 maart 2012 in zaak nr. 11/17819 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 27 april 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 2 maart 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.
2. Hetgeen de vreemdeling als grieven II en III aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
3. In grief I betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 niet heeft toegepast op de door hem bij brief van 1 februari 2012 in kopie overgelegde stukken van:
* de raad van de wijk [-] in Bagdad van 19 juli 2011, in welke wijk de vreemdeling stelt te hebben gewoond,
* de politie van Bagdad Al Jadida van 4 augustus 2011 en 7 augustus 2011,
* het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Irak van 14 september 2011,
* het Federale Gerechtshof van Bagdad Al Jadida van 15 augustus 2011,
* het Iraakse ziekenhuis Al Kandi van 3 augustus 2011 en
* een Iraakse onderzoeksrechtbank van 2 augustus 2011.
Voorts betoogt de vreemdeling dat de rechtbank aan voormelde stukken ten onrechte geen overweging heeft gewijd en deze ten onrechte niet in haar beoordeling heeft betrokken.
4. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de vreemdeling uitdrukkelijk een beroep op voormelde stukken heeft gedaan. De aangevallen uitspraak geeft er ten onrechte geen blijk van dat de rechtbank heeft onderzocht, of voormelde stukken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000 bevatten. De vreemdeling klaagt dan ook terecht dat de rechtbank, in strijd met artikel 8:69 van de Awb en artikel 83 van de Vw 2000, met voormelde stukken geen rekening heeft gehouden.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De zaak zal naar de rechtbank worden teruggewezen, opdat zij kan beoordelen of zij voormelde stukken krachtens artikel 83 van de Vw 2000 bij haar beoordeling moet betrekken en zo nodig de staatssecretaris in de gelegenheid kan stellen om over voormelde stukken een standpunt in te nemen.
6. De proceskosten in hoger beroep zullen worden vastgesteld. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 2 maart 2012 in zaak nr. 11/17819;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Spoel
voorzitter w.g. Schuurman
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2012
282-734.
Verzonden: 26 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser