Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 17 januari 2014 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat zij aan Frankrijk…

Zaakgegevens

Op 1 juli 2014 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
1 juli 2014
Datum publicatie
7 juni 2016
Zaaknummer
201402864/1/V4
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:4812
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 17 januari 2014 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat zij aan Frankrijk zal worden overgedragen.

Procesgang

  1. Raad van State · 1 juli 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2014:4812

  2. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:RBDHA:2014:3024

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

201402864/1/V4.

Datum uitspraak: 1 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2014 in zaak nr. 14/1375 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2014 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat zij aan Frankrijk zal worden overgedragen.

Bij uitspraak van 11 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 86, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, is de vreemdeling voor het door haar ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd.

2. De vreemdeling is bij brief van 8 april 2014 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen en is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 22 april 2014 te voldoen. Nadat is gebleken dat de vreemdeling het griffierecht niet heeft voldaan, is haar bij aangetekend verzonden brief van 12 mei 2014 meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief, dat wil zeggen uiterlijk op 26 mei 2014, op de rekening van de Raad van State dient te zijn bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State dient te zijn betaald. Tevens is vermeld dat, indien van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het bedrag is niet binnen de aldus gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State betaald.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld feiten of omstandigheden aan te geven, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Nu zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt, zijn zodanige feiten en omstandigheden niet gesteld.

3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014

307-791.