Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om…

Zaakgegevens

Op 30 april 2015 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
30 april 2015
Datum publicatie
6 mei 2015
Zaaknummer
201410064/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2015:1477
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 11 december 2014

    ECLI:NL:RBDHA:2014:16426
  2. Raad van State · 30 april 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2015:1477

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

201410064/1/V2.

Datum uitspraak: 30 april 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 december 2014 in zaak nr. 12/11033 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In zijn enige grief betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de hoorplicht is geschonden, niet heeft onderkend dat in zijn geval van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake was.

2.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

2.2. In bezwaar heeft de vreemdeling het standpunt van de staatssecretaris dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland blijkbaar niet noodzakelijk is voor de effectieve uitoefening van het recht van vrij verkeer door referente gemotiveerd bestreden. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris dusdoende een onjuiste uitleg gegeven aan het Unierecht.

De rechtbank heeft niet onderkend dat, gelet op hetgeen de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, niet op voorhand buiten twijfel was dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris ten onrechte van het horen afgezien.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 maart 2012 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:2, eerste lid, en 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 december 2014 in zaak nr. 12/11033;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 6 maart 2012, kenmerk 1102.02.1145;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.715,00 (zegge: zeventienhonderdvijftien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 402,00 (zegge: vierhonderdtwee euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015

549.