Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens…

Zaakgegevens

Op 28 januari 2015 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
28 januari 2015
Datum publicatie
28 januari 2015
Zaaknummer
201405965/1/V6
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2015:206
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Procesgang

  1. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:RBZWB:2014:3360
  2. Raad van State · 28 januari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2015:206

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

201405965/1/V6.

Datum uitspraak: 28 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 mei 2014 in zaak nr. 13/6146 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 20 september 2013 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete gedeeltelijk herroepen en de boete vastgesteld op € 4.000,00.

Bij uitspraak van 13 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2015, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Jacobson, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; Stb. 2012, 462, is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

2. Het door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtseed opgemaakte boeterapport van 10 april 2012 (hierna: het boeterapport) houdt in dat, voor zover thans van belang, uit onderzoek is gebleken dat een vreemdeling van Bulgaarse nationaliteit voor de onderneming van [appellante], [restaurant], arbeid heeft verricht door het bezorgen van pizza's, terwijl daarvoor geen tewerkstellingsvergunning was verleend. Het boeterapport houdt voorts in dat uit feiten en omstandigheden naar voren is gekomen dat de vreemdeling de werkzaamheden niet als zelfstandige heeft verricht.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling niet als zelfstandige kon worden aangemerkt. Daartoe wijst [appellante] er op dat de vreemdeling medevennoot was van [bedrijf].

3.1. De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom een gezagsverhouding tussen de vreemdeling en [appellante] bestond en hij derhalve niet als zelfstandige, maar in loondienst werkzaam was. Met hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft zij niet alsnog aannemelijk gemaakt dat er geen gezagsverhouding tussen haar en de vreemdeling bestond.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het laten verrichten van de werkzaamheden door de vreemdeling een tewerkstellingsvergunning was vereist. Volgens [appellante] voldeed de vreemdeling aan de voorwaarden die hem als gezinslid het recht geven om iedere arbeid hier in Nederland te aanvaarden. De minister en de rechtbank hebben het beroep op Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de gemeenschap (hierna de Verordening) ten onrechte gepasseerd, aldus [appellante].

4.1. Blijkens het boeterapport heeft de arbeidsinspecteur vastgesteld dat de vreemdeling voorkomt in de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). Bij de vreemdeling staat in de BVV bij het kopje verblijfstitel: 'Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid specifiek'. Voor zover [appellante] meent dat de vreemdeling zijn verblijfsrecht ontleent aan de omstandigheid dat hij gezinslid is van een werknemer als bedoeld in de Verordening, had het op haar weg gelegen om die stelling te staven, althans daar een begin van bewijs van te leveren. Zij heeft dat niet gedaan. De minister en rechtbank hebben het beroep van [appellante] op de Verordening reeds hierom terecht niet gehonoreerd.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015

501.