Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel…
ECLI:NL:RVS:2015:4060 · Raad van State · 23 december 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2015-4060
Zaakgegevens
Op 23 december 2015 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 december 2015
- Datum publicatie
- 30 december 2015
- Zaaknummer
- 201506828/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2015:4060
Samenvatting
Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Procesgang
Raad van State · 23 december 2015deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2015:4060
Uitspraak
201506828/1/V3.
Datum uitspraak: 23 december 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 augustus 2015 in zaak nr. 14/16611 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 11 juli 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 augustus 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U. Koopmans, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) niet ten onrechte niet om nader advies heeft gevraagd naar aanleiding van de brief van haar huisarts van 3 april 2014. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank, door zonder enige grondslag te overwegen dat de professionele hulp door de thuiszorgorganisatie Icare bij haar medicatie-inname een omstandigheid is die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreft, welke niet bij de beoordeling wordt betrokken, niet heeft onderkend dat zij niet zelf voor de toediening van de antistollingsmedicatie kan zorgdragen en dat de professionele toediening daarvan een essentieel onderdeel van de medische behandeling vormt, bij gebreke waarvan een medische noodsituatie zal ontstaan.
1.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.
1.2. Het BMA heeft op 27 februari 2014 advies aan de staatssecretaris uitgebracht over de medische situatie van de vreemdeling. Dit BMA-advies, dat de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit van 11 juli 2014, vermeldt, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling bekend is met een insuline afhankelijk diabetes mellitus (hierna: de DM) type 2 met een matige regulatie en controle. Er is sprake van secundaire orgaanschade in de vorm van proliferatieve diabetische retinopathie (voortschrijdende beschadiging van het netvlies ten gevolge van de DM). Tevens is er sprake van paroxysmaal atriumfibrilleren (een hartritmestoornis) waarvoor antistolling en verdere analyse door de cardioloog plaatsvindt. Dit is pas recent opgestart, dus verdere informatie is nog niet beschikbaar. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit behandeling door een huisarts en cardioloog. Het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie. Uit brononderzoek blijkt dat behandeling in Armenië aanwezig is.
1.3. In de brief van 3 april 2014 heeft de huisarts van de vreemdeling vermeld dat de vreemdeling antistollingsmedicatie krijgt, omdat zij een hartritmestoornis heeft en daardoor een grote kans heeft op een stolsel. De thuiszorgorganisatie Icare helpt de vreemdeling bij de toediening van de antistollingsmedicatie. Gelet op deze nieuwe medische informatie, die, naar onbestreden door de vreemdeling is gesteld, niet bij de totstandkoming van het BMA-advies is betrokken, heeft de staatssecretaris, alvorens op het bezwaar te besluiten, het BMA dan ook ten onrechte niet om nader advies gevraagd over de vraag of de informatie in de brief van 3 april 2014 betekent dat de (thuis-)zorg van Icare een noodzakelijk onderdeel van de behandeling is en, zo ja, over de beschikbaarheid van dergelijke hulp bij toediening van de door de vreemdeling gebruikte antistollingsmedicatie in Armenië. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de staatssecretaris van 11 juli 2014 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 augustus 2015 in zaak nr. 14/16611;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 juli 2014, V-nr. […];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015
53.