Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 25 juli 2014 heeft de raad van bestuur de aanvraag van [appellant] om een voorziening…
Raad van State, 18 mei 2016
ECLI:NL:RVS:2016:1306 · Raad van State · 18 mei 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2016-1306
Zaakgegevens
Op 18 mei 2016 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 18 mei 2016
- Datum publicatie
- 18 mei 2016
- Zaaknummer
- 201507154/1/V6
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2016:1306
Samenvatting
Bij besluit van 25 juli 2014 heeft de raad van bestuur de aanvraag van [appellant] om een voorziening krachtens de Remigratiewet (hierna: de aanvraag) afgewezen.
Procesgang
Uitspraak · 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:9323Raad van State · 18 mei 2016deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2016:1306
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201507154/1/V6.
Datum uitspraak: 18 mei 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2015 in zaak nr. 15/289 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2014 heeft de raad van bestuur de aanvraag van [appellant] om een voorziening krachtens de Remigratiewet (hierna: de aanvraag) afgewezen.
Bij besluit van 4 december 2014 heeft de raad van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Verbeek, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] voert aan dat hij ten tijde van de indiening van de aanvraag op 30 juni 2014 niet aan de op dat moment geldende leeftijdseis van 45 jaar voldeed. Vijftien dagen later, op 15 juli 2014, werd hij 45 jaar oud, maar toen voldeed hij evenmin aan de leeftijdseis, omdat die met ingang van 1 juli 2014 was verhoogd naar 55 jaar. [appellant] betoogt dat de raad van bestuur, door bij de beoordeling van de aanvraag met deze wijziging geen rekening te houden, zijn belang niet op juiste wijze heeft beoordeeld en dat hij onevenredig hard is getroffen. Tevens heeft de raad van bestuur zich aldus schuldig gemaakt aan leeftijdsdiscriminatie en gehandeld in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR), aldus [appellant].
1.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Remigratiewet, zoals dat luidde tot 1 juli 2014 en voor zover thans van belang, wordt een remigrant die op de datum van de aanvraag tenminste 45 jaar oud is een periodieke uitkering verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan in het bestemmingsland.
1.2. Uit het dwingend bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Remigratiewet volgt dat een remigratievoorziening dient te worden geweigerd indien zich een in dat artikel omschreven weigeringsgrond voordoet. Aangezien [appellant] ten tijde van de aanvraag nog geen 45 jaar oud was, diende de raad van bestuur de aanvraag af te wijzen. Daarbij kan aan een onderzoek naar en een afweging van belangen niet worden toegekomen, derhalve ook niet in het licht van de ten tijde van indiening van de aanvraag aanstaande wetswijziging.
Het betoog van [appellant] dat de raad van bestuur heeft gehandeld in strijd met artikel 26 van het IVBPR, heeft, zoals [appellant] ter zitting nader heeft toegelicht, uitsluitend betrekking op de wijziging van de Remigratiewet met ingang van 1 juli 2014. Aangezien de aanvraag is ingediend voor 1 juli 2014, is de Remigratiewet, zoals deze luidt met ingang van deze datum luidt, er niet op van toepassing en wordt aan een beoordeling van dit betoog niet toegekomen.
Het betoog faalt.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Groenendijk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016
164.