Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 4 november 2013 heeft de staatssecretaris een aan de vreemdeling verleende…
Raad van State, 10 februari 2016
ECLI:NL:RVS:2016:426 · Raad van State · 10 februari 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2016-426
Zaakgegevens
Op 10 februari 2016 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 10 februari 2016
- Datum publicatie
- 17 februari 2016
- Zaaknummer
- 201502993/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2016:426
Samenvatting
Bij besluit van 4 november 2013 heeft de staatssecretaris een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 13 maart 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:2740Raad van State · 10 februari 2016deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2016:426
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201502993/1/V1.
Datum uitspraak: 10 februari 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2015 in zaak nr. 13/29202 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2013 heeft de staatssecretaris een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 maart 2015 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet-ontvankelijk en zijn beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.L. Hofdijk, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aan het individuele ambtsbericht van 26 juni 2012 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag gelegde stukken overgelegd en daarover krachtens artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat wegens gewichtige redenen slechts de Afdeling van bepaalde gedeelten ervan zal mogen kennisnemen.
Desgevraagd heeft de minister het in zijn brief van 11 juni 2014 met kenmerk DCM/MA-107/14 vermelde rapport van vertrouwenspersoon 'vp4' (hierna: het rapport van 'vp4') overgelegd en daarover krachtens voormeld artikel 8:29, eerste lid, medegedeeld dat wegens gewichtige redenen slechts de Afdeling hiervan zal mogen kennisnemen.
De Afdeling heeft in een andere samenstelling beslist dat gewichtige redenen voormelde beperkingen van de kennisneming rechtvaardigen, met uitzondering van de beperking ten aanzien van één van de aan het ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken, dat de Afdeling vervolgens heeft doorgestuurd naar partijen.
De staatssecretaris heeft toestemming als bedoeld in het vijfde lid van voormelde bepaling verleend om mede op basis van voormelde stukken uitspraak te doen.
De vreemdeling heeft geweigerd om toestemming als hiervoor bedoeld te verlenen.
De desbetreffende stukken zijn hierop aan de minister teruggestuurd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen de vreemdeling als grief 1 naar voren brengt, omschrijft niet de gronden waarop hij zich niet met het omschreven onderdeel van de aangevallen uitspraak kan verenigen. Mitsdien is het aangevoerde geen grief als bedoeld in artikel 85, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarom is in zoverre niet voldaan aan artikel 85, eerste lid.
2. De vreemdeling klaagt in grieven 2 tot en met 4 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van de inhoud van het ambtsbericht nu de vreemdeling geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd die reden geven aan de juistheid of volledigheid hiervan te twijfelen. Hij voert aan dat de rechtbank meer onderzoek had moeten doen naar aanleiding van zijn betoog dat aan het ambtsbericht geen onafhankelijk en betrouwbaar onderzoek ten grondslag ligt. Hij wijst erop dat hij heeft aangevoerd dat de minister het rapport van 'vp4' niet aan het ambtsbericht ten grondslag heeft gelegd, omdat dit ontlastende verklaringen over hem bevat. Verder wijst hij erop dat hij heeft aangevoerd dat aan het ambtsbericht, zoals te doen gebruikelijk in individuele ambtsberichten over Rwandese vreemdelingen, gefingeerd belastend bewijs ten grondslag ligt dat is gebaseerd op anonieme getuigenverklaringen die de Rwandese regering heeft laten opstellen.
2.1. Omdat de vreemdeling de juistheid en onpartijdigheid van het ambtsbericht heeft betwist, nu daarbij de volgens hem ontlastende informatie als vermeld in het rapport van 'vp4' niet is betrokken, heeft de Afdeling niet alleen de aan het ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken maar ook het rapport van 'vp4' opgevraagd bij de minister. De minister heeft aan dat verzoek voldaan en medegedeeld dat wegens gewichtige redenen slechts de Afdeling van bepaalde gedeelten van deze stukken zal mogen kennisnemen. In hoger beroep is door de Afdeling - in een andere samenstelling - geoordeeld dat gewichtige redenen nopen tot deze beperkte kennisneming, met uitzondering van de beperking ten aanzien van één van de aan het ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken.
Door, anders dan bij de rechtbank, te weigeren toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te verlenen, heeft de vreemdeling de Afdeling de mogelijkheid ontnomen om kennis te nemen van de opgevraagde stukken en derhalve om te beoordelen of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vreemdeling geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd die reden geven aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht te twijfelen.
Dat het de vreemdeling vrij stond om toestemming te weigeren, neemt niet weg dat dit voor zijn risico komt, nu de minister de door de Afdeling gevraagde stukken heeft overgelegd en de Afdeling het bestaan van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb heeft bevestigd, met uitzondering van voormelde beperking.
Nu de vreemdeling de Afdeling de mogelijkheid heeft ontnomen om een oordeel te geven over grieven 2 tot en met 4, falen deze grieven. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van de inhoud van het ambtsbericht.
3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. De Keizer
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016
488-716.