Vreemdelingenrecht

Bij uitspraak van 15 augustus 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het…

Raad van State, 24 januari 2018

Zaakgegevens

Op 24 januari 2018 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
24 januari 2018
Datum publicatie
25 januari 2018
Zaaknummer
201707326/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2018:261
E-mail

Samenvatting

Bij uitspraak van 15 augustus 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig door de staatssecretaris nemen van een besluit op zijn asielaanvraag gegrond verklaard en vastgesteld dat de staatssecretaris als gevolg daarvan een dwangsom heeft verbeurd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 15 augustus 2017

    ECLI:NL:RBDHA:2017:9253
  2. Raad van State · 24 januari 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2018:261

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

201707326/1/V2.

Datum uitspraak: 24 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 augustus 2017 in zaak nr. 16/14203 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij uitspraak van 15 augustus 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig door de staatssecretaris nemen van een besluit op zijn asielaanvraag gegrond verklaard en vastgesteld dat de staatssecretaris als gevolg daarvan een dwangsom heeft verbeurd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Engelbertink, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag over het verlengen van de beslistermijn in de bestuurlijke fase en de kennisgeving daarvan heeft de Afdeling bij uitspraak van 8 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3232, beantwoord. Die overwegingen, waaruit volgt dat met de inwerkintreding van WBV 2016/3, op 11 februari 2016, de beslistermijn in alle asielzaken van vóór en ná die datum met negen maanden is verlengd, zijn ook in deze zaak van toepassing. De brief van 25 januari 2017 van VluchtelingenWerk Nederland, de informatiebrief van 11 februari 2016 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het verslag van een op 23 februari 2016 op de opvanglocatie in Zaandam gehouden voorlichtingsbijeenkomst, leiden niet tot een ander oordeel. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de beslistermijn ten tijde van het instellen van het beroep tegen het niet tijdig door de staatssecretaris nemen van een besluit niet was verstreken, het beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 augustus 2017 in zaak nr. 16/14203;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Prins

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018

363-853.