Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van referent om haar kinderen een…

Raad van State, 12 juli 2019

Zaakgegevens

Op 12 juli 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
12 juli 2019
Datum publicatie
12 juli 2019
Zaaknummer
201903778/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:2387
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van referent om haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

201903778/1/V1.

Datum uitspraak: 12 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[referent],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 april 2019 in zaak nr. 18/8575 in het geding tussen:

referent

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van referent om haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. M.H. van der Linden, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Referent heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1174, heeft de Afdeling overwogen dat in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet als vereiste is opgenomen dat een referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft.

2.    De Afdeling heeft de in grief 2 opgeworpen rechtsvragen over de afwijzingsgrond van de aanvragen beantwoord in de onder 1 vermelde uitspraak. Uit deze uitspraak volgt dat de grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat referent voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 16 oktober 2018 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 april 2019 in zaak nr. 18/8575;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 oktober 2018, V-nummers […], […] en […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan referent het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Keizer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2019

716.